Monthly Archives: May 2011

Putten

Met een sierlijke beweging gooi ik mijn sleutels de lucht in. Geen idee waarom. En al helemaal niet waarom ik dit doe boven een put. Paniekerig grijp – het stadium vangen is al gepasseerd – ik mis. Ik zie ze gaan, twijfelend op een van de tussenschotjes van het rooster. En weg zijn ze.
Oh nee. Mijn autosleutels. En Boris zet ik net af voor bijles en de meisjes liggen thuis te slapen. Ik zie mezelf al in een louche taxi op en neer.

Het volgende moment lig ik op mijn buik en constateer dat mijn armen te kort zijn. Ik overweeg in de put te gaan. Het is een smalle put. Dadelijk blijf ik er nog in.

Dan komt de man van de bijleslerares Engels van Boris me helpen. Met een hengel en een visnetje bevrijden we mijn sleutels uit de put. Lang leve de man.

Als ik met Bobbie over het estate wandel, ga ik terug altijd over de golfcourse. De regels schrijven voor dat het niet mag, maar in goed overleg kan er weinig mis gaan. Ik moet veel wachten. Vier mannen doen nogal veel slagen over 100 meter. Als ik ze in wil halen spreken ze me aan.

“Je neemt wel een groot risico met je baby.”

“Hummum.” Zeg ik.

“Je weet zeker niks van golf.” Vervolgen ze.

“Hummum.” Zeg ik iets dwingender en manoevreer met de kinderwagen langs de zij aan zij geparkeerde karretjes.

Ze slaan vervolgens twee balletjes rollend over het gras.

 “Huh? Golf, dat is toch met een boogje?” Ik zeg het zomaar tegen een van hen. Ze hebben hetzelfde t-shirt aan en daarboven een vrijwel identiek hoofd.

Dan horen we nieuws over een oud collega van Joost. Ze is al een tijdje ziek en het is onbeschrijflijk met hoeveel moed zij haar ziekte draagt. Als er iemand recht heeft om in de put te zitten, dan is zij het wel. Maar ze doet het tegenovergestelde. Met een enorme levenslust stapt ze door de wereld. Zelfs nu het slechter gaat straalt ze uit dat ze het wel redt. Geen woord over putten of onrechtvaardigheid.

Het is het leven.

Maar soms zou het fijn zijn als de wereld zo simpel was als door de ogen van een vijfjarige. Dan gaat het gewoon zo. 
Je ontvangt post van je vriend uit Nederland en je stuurt een tekening en een gedicteerd begeleidend schrijven terug.

‘Hoi Max, ik heb een tekening voor je gemaakt. Jij bent het met de dikste hand. Je houdt ook een pan vast. En er is een bom.’ 

Onder invloed van safari

Ik sta in de dagelijkse file naar de school van Boris en Lucie. We staan abrupt stil. Met meer geluid dan normaal. Blijkbaar is het busje voor mij ineens gestopt en doet een automaat wat hij moet doen. Doorrollen als je je voet niet op de rem hebt.

Een meneer stapt uit. Rood aangelopen, heftig nee schuddend. Stropdas met safariprint stevig om zijn nek gesnoerd in een poging de openstaande knoopjes van zijn boord te verbloemen. De safaridas heeft een hoop papieren vast waarop hij direct driftig aantekeningen begint te maken.

Mijn opa vertelt me wel eens over mijn vader als klein jongetje. Hoe mijn vader met een notitieblokje langs de flat loopt en met een gewichtig gezicht huisnummers noteert. Als een soort minipostbode of mini inspecteur. Het beeld popt nu ook weer op.

“You are in big trouble mem, cause this is a police vehicle”, zegt de safaridas vervolgens geruststellend. 
Ik ben al wat shakie, zeg tegen mezelf dat de kinderen achterin zitten, de hele school voorbij rijdt en dat het dus onverstandig is te gaan huilen. 
“Why?” piep ik. In een ultieme poging stevig over te komen.

Joost vliegt ergens, dus ik bel vrienden. En ineens realiseer me dat ik vrienden bel na vier maanden Zuid-Afrika. Dit lichtpuntje wint het even van mijn verder slechts als ‘kut’ te bestempelen gemoedstoestand.

In de tussentijd vertelt de safaridas een onsamenhangend verhaal. Over de botsing, mijn papieren die niet in orde zijn en vooral over zijn werk voor de commercial crime unit op de 10e verdieping. Ik ben niet van plan hem daar op te zoeken, maar het gevoel bekruipt me dat hij daar anders over denkt.

We (Joost is inmiddels geland) gaan op advies van de leasemaatschappij naar het politiebureau om aangifte te doen. We zijn aan de beurt na een mevrouw die net overvallen is. De realiteit van Zuid-Afrika roept ons weer even tot de orde. De politiebeambte ook. Omdat ik een politiebusje heb geraakt moet een speciale procedure gevolgd worden.

En zo zit ik twee uur later toch bij de safaridas. In een bedompt vergaderzaaltje op de 10e verdieping. Samen met een dame van Ernst & Young. Alleen gaan was geen optie.

De safaridas zegt dat hij het heel druk heeft en dat we geluk hebben dat we even tussendoor konden. Hij kopieert al mijn documenten (onder andere het certificaat van mijn safe driving course, van drie maanden geleden) en begint met schrijven. Dan legt hij zijn pen neer, kijkt op en zegt: “Ik ken ook iemand bij Ernst & Young.”

De laatste keer dat ik dat in Zuid-Afrika hoorde ging het over de bakfiets.

Hij noemt een naam. En nog een. Maar de dame van Ernst & Young kent ze niet. Hij pent stevig door, kijkt nog eens op en noemt een andere naam. Maar helaas, ook deze persoon is onbekend.

We stappen weer in de lift. De safaridas zegt nog maar eens dat hij het zo druk heeft. 
“Ja”. Zeg ik. Meer in de ruimte dan tegen iemand in het bijzonder. En omdat ik niet zo goed tegen stilte in de lift kan zeg ik ook nog: “Het is bijna weekend”. 
En een gevoel van medelijden bekruipt me. Voor de safaridas op de 10e verdieping, zijn plastic schoenen en zijn bijna weekend.

Als we bijna beneden zijn zegt hij uit zichzelf: “My wife works right round the corner.” En we halen alle drie opgelucht adem. 

Dag Moeder



Daar staat ze. Mijn moeder. Niets dan het uiteinde van een litteken dat onder haar trui haar hele borstbeen beslaat, doet vermoeden dat ze zo’n kleine kans had. Om te overleven.

Stralend. Ook na een reis van 24 uur. En trots verhalend over de mannen van de paspoortcontrole. Die nog eens goed naar haar foto keken en haar allemaal jonger schatten. En wie ze dus allemaal koffie heeft aangeboden. “Nee, niet echt natuurlijk, je weet wel, als grapje.”

Negen maanden geleden is het inmiddels. Ze ligt met benauwdheidsklachten in een ziekenhuisbed. De aanname longembolie maakt plaats voor een diagnose gescheurde binnenwand van de aorta. Vlak naast haar hart. Kritiek is het. Ze moet met gillende spoed geopereerd.

Ik vroeg het me wel eens af. Hoe ik zou reageren als er echt iets ergs zou gebeuren. Ik zag mezelf manhaftig iedereen gerust stellen.

De werkelijkheid is anders. Het liefst zou ik – net als tijdens een heel spannende voetbalwedstrijd (alleen van het Nederlands elftal dan hè) – gewoon zeggen:

“Joh, spannend.” “Kut” (in dit geval). “Hee, ik ga ff een rondje lopen, ik hoor het wel als er nieuws is.”

Maar, het is mijn moeder die daar ligt met die gescheurde aortawand.  En het is echt goed mis.

Dus ik ga voor de zekerheid. Als gezonde hypochonder struin ik regelmatig het internet af op zoek naar diagnoses. Meestal zijn kansen klein (of groot),  stel ik mezelf gerust en zit weer op hetzelfde level als de rest van het gezin.

Nu heb ik een levende bron en bevraag de artsen hoe groot de kans is dat ze het overleeft. Bel vriendinnen en bevraag hen (toch ook) over de kansen die ze via google vinden. Ik klamp me vast aan de woordenstroom en geef me over aan de schijnzekerheid

De operatie is succesvol en ze ligt op de IC. Vanwege de gezinssituatie – oma is zes dagen geleden overleden en ik kan elk moment bevallen – krijgen we een familiekamer.

Voor één dag. Dan zijn ze ons zat.  

Elke lange witte jas die polshoogte komt nemen, bespringen we voor extra informatie. Het kan ook door mijn hormonen of de grootsheid van de situatie komen. Want ergens denk ik ook nog te flirten met zo’n arts. Terwijl ik, zeker als ik de foto’s bekijk van mijn situatie op dat moment,  ook wel inzie dat vooral letterlijk groots op mij van toepassing is.

Kansen. Je kunt er niks van zeggen. Bovendien is het heel irritant – met name voor anderen – als je de hele tijd vraagt wat de kans is. Vooral als je op safari bent en iedereen zich steeds hardop af blijft vragen hoe groot de kans is dat ‘we’ – terwijl ‘ze’ eigenlijk ‘ik’ bedoelen – een leeuw zullen zien.

De enige zekerheid is dat je altijd 50% kans hebt. En de positieve helft bracht mijn moeder na negen maanden naar Zuid-Afrika.  Mijn huidige woonplaats.

En dat overigens voor iemand die nooit verder reisde dan Tenerife.  Alwaar samen met een vriendin slachtoffer geworden van ‘balletje, balletje’ (waarna we van onszelf niet meer uit eten mochten). 

Wij wilden beesten zien

In de week (weken eigenlijk) dat we eindelijk ongekooide wilde beesten zien, leren we ook meer over de naughty corner.
‘Well’, zeg ik zo serieus mogelijk, “we decided to take a house without a naugthy corner.”

Ze vinden het niet grappig, onze Zuid-Afrikaanse vrienden.

Je wordt om je oren geslagen met de naughty corner. Niet dat de kinderen er vaak in verdwijnen, er wordt vooral mee gedreigd.  Net als met een hiding (tik). 
De gemiddelde Zuid-Afrikaan zit nogal bovenop zijn kind.  Misschien ingegeven door de onveiligheid die toch als het zwaard van Damocles boven het land en dus boven een ieders hoofd hangt. 
Ik laat het in ieder geval bij deze grap. Dat ik ‘naughty’ heb gegoogeld en toen allerlei sexy meisjes als eerste ‘hit’ kreeg, bewaar ik wel voor een volgende keer.

Vader heeft zijn hielen nog niet gelicht out of Africa en daar staat mijn moeder op de stoep.  In razend tempo ontdekken zij en wij Zuid-Afrika weer een beetje meer.  Van shoppen tot sloppen.

En omdat opa en oma er zijn, kunnen Joost en ik samen op safari. Voor het eerst ooit. Het klinkt heel kaki. En niet georganiseerd. Terwijl we toch echt in een soort Center Parcs terecht komen. We moeten in de rij, het huisje ruikt doorleefd en op het bed liggen dekens. Maar, daar zijn wij – avonturiers van het eerste uur – op voorbereid. Tadaa! We toveren de dekbedden uit de auto.

Daarna bekijken we de geplastificeerde infomap. Waarom heeft niemand me verteld dat ze naast olifanten ook teken hebben? We schrappen de ochtendwandeling vanwege deze kleine fauna en voordat we op avondsafari gaan doe ik voor de zekerheid ook DEET op mijn broek en in mij haren. Eigenlijk smeer ik gewoon overal DEET.

De avondsafari beleven we vanuit een open jeep, met zes andere mensen. In een lange sliert – de vijf jeeps leggen hetzelfde uitgesleten parcours af – hobbelen we door het park. 
De laatste restjes zon geven het wildpark een roze gloed en als het bijna donker is, pakt de ranger twee soort grote douchekoppen. Maar in plaats van water komt er licht uit. Omdat ik me voor kan stellen dat hij er geen twee vast kan houden – hoe moet ‘ie dan sturen? – kijk ik alvast stoïcijns in het luchtledige. Naast mij een tegenovergestelde reactie. Blijkbaar brengt het de padvinder in Joost naar boven, deze safari.
We zien een hoop dieren en tijdens de ochtendsafari (zelfde jeep, zelfde parcours) komen we midden in een kudde olifanten terecht. Ik onderdruk de neiging om uit te stappen en weg te rennen en maak  ongeveer 150 foto’s. In 10 minuten. Blijkbaar is dat ook een manier om de situatie in ieder geval gevoelsmatig onder controle te houden.

Overigens blijkt, als we een wildpark zonder roofdieren bezoeken, dat het heel logisch is dat kleine kinderen niet mee mogen op safari. Het eerste wildebeest (een soort buffel) dat we tegenkomen zorgt ervoor dat Lucie heel hard gaat gillen. Daar wordt het liggende wildebeest wakker van en staat op. Je kunt er gelukkig ook prima koffie drinken.