Monthly Archives: June 2011

Het ziet er niet naar uit







“Ho Ho Ho!”
Ik rijd, dus ik stop.

We zijn in het lions park en doen het grote rondje. Mogelijk zien we ook giraffen en olifanten. Niet allemaal bij elkaar natuurlijk, dan vreten ze elkaar op.

De olifanten hebben we net gezien. 

Voor ons stopte een auto en dan weet je – ervaren gamedrivers die we zijn – daar is wat te zien. Als wij aankomen stapt een Chinees gezin net weer in. We zijn even van ons à propos.

“Huh?” Zeggen we.

En ook: “Misschien hebben die Chinezen niet begrepen dat ze niet uit mogen stappen?”

Maar dan zien we twee op stokjes kauwende mannen bij de olifanten staan. Het zijn rangers. Ze wenken dat wij ook uit mogen stappen.

Boris aait een olifant en Joost vraagt nog even naar het verschil tussen de Indische en de Afrikaanse olifant. Niet naar of het circusolifanten zijn. Of wat zo’n ranger nou verdient. En of ze het leuk vinden om ranger te zijn (het ziet er niet naar uit).

En dan gaan we.

Maar dat gaat zomaar niet. Ze roepen dus “hohoho” en zwaaien met hun armen.

Ik stop direct. Je weet immers nooit of een van de hobbeltjes op de weg een teen was. Zeker niet als ik rijd.

“A tip mem!” Gooien ze vrij agressief het open raampje in. Oja. Alles kost hier niks, maar niks kost dan toch ineens weer alles.

We geven ze ieder 5 rand. Daarover zeggen ze iets tegen elkaar. In het Zulu.

Het zal mij eerlijk gezegd worst zijn of ze het veel of weinig vinden en ik zou dat zo langzamerhand wel eens terug willen roepen in het Zulu.

Maar vind maar eens een leraar Zulu.


Zulu les wil ik. Uit volle overtuiging. Heel graag wil ik kunnen praten met de maids. Heel graag begrijp ik meer van de cultuur etc. En ook omdat ik me stoor aan het ontbreken van de beleefdheidsregel: niet in je eigen taal praten tegen elkaar als er anderen bij zijn.

Niet in de supermarkt, niet in de bush en niet bij de kapper. Alwaar mijn haar wordt ingepakt in folie en ik eruit zie alsof ik zo de oven in ga. Wat in zekere zin grappig is, maar zeg dat dan in het Engels.


Ik doe overigens ook wel eens dingen niet uit volle overtuiging. Dan bel ik bijvoorbeeld iemand voor een cursus: “Ja, ik wil die cursus doen.” Dan stelt de cursusleider concretiserende vragen zoals vanaf wanneer, welke dag schikt je etc. En dan zeg ik: “Oja, daar denk ik dan even over na. Maar heel erg bedankt hoor!” 

En dat was dat.


Maar goed, ik dus bellen voor Zulu les.

“Hi there Eva howzit?” Nou, dan zeg ik ‘goed’ om het proces niet onnodig te vertragen en vertel dat ik Zulu les wil.

Leraar 1 zegt: “Nou, ik heb het momenteel dus erg druk.”

Leraar 2 zegt: “Ik wil het wel doen, maar dan wel met een groep met minimaal 12 mensen.” Om toe te voegen: “Het is helemaal niet winstgevend en volgend jaar ga ik er denk ik mee stoppen”.

En leraar 3 gaat me zeker bellen.

Of ze het leuk vinden verder? Het ziet er niet naar uit.

Niet gek, te gek

We mogen kiezen. Naar de dierentuin, of naar het circus. Mijn zusje en ik kunnen niet wachten. Op pad met onze eigen Oma Fladder op wie alle klasgenootjes jaloers zijn.
Oma die wekelijks naar de kapper gaat, onbedaarlijk hard kan lachen, langskomt als we griep hebben, een pannetje eten in de koelkast zet als we terugkomen van vakantie en die 40 flappen (gehakt in bladerdeeg) maakt als we jarig zijn. Dat we daarna nog zeker een week tegen heug en meug flappen eten, zeggen we haar nooit. 
“Oh, lekker oma, flappen!”

Een verveelde puber met best wel veel lippenstift (ik) zit naast een boze oma (mijn oma). We zitten op de boot die ons van Nederland naar Engeland vaart. Op deze gezellige reis verder nog mijn moeder en mijn zusje. Onze conjuncturen komen even niet overeen. Oma wil vooral graag discussiëren over politiek enzo. En ik, nouja, ik zet me lekker overal tegen af. Met mijn lippenstift.

Ze wordt ook ouder. Dat merk je niet als je een uurtje koffie met haar drinkt, maar tijdens zo’n reis wel. In elk godvergeten cafeetje wil ze zitten: 
“Ja, die beentjes hè.”

En we gaan uren tevergeefs op zoek naar een tosti.

Ik ben 21 en woon op kamers. Oma stuurt kaartjes. En soms slaap ik bij haar. Dan word ik wakker in oma’s doosje. Wij weten niet beter dan dat haar slaapkamer zo heet. Het doosje is ook gewoon meeverhuisd van flat naar aanleunflat.

Ze maakt boterhammetjes, we drinken Christmas tea uit haar vogelserviesje en zitten aan haar tafeltje onder de poster met het Russische alfabet.

“Ja, soms studeer ik nog wel wat.”

En we weten allebei dat ze liever patienced. 

En Mahjong speelt.

“Niet te vaak ‘heur’ het zijn allemaal mutsen daar in het Couveehuis. Kouwe kak.”

In de tussentijd draagt ze wel haar zegelring en zegt ‘taartje’ en ‘ijskast’.

Ik ben hoogzwanger. Eerst van Boris, die ze nog heel bewust meemaakt.

En dan van Lucie. Ik ben bij haar en ze rookt niet. Als ik niet zwanger ben, paft ze er flink op los: “Het gaat de vergetelheid tegen weet je.”

Ze herhaalt het een keer of 8.

De tijd haalt haar in. Maar daar heeft ze een agenda voor. Alles wat belangrijk is, schrijft ze op. Wanneer ze wordt opgehaald, wie langs is geweest, boodschappenlijstjes. Boterhammenvlees en sigaretten. Waarvoor ze soms vergeet te betalen. Ze is ook ongeremder ineens. Emoties klinken ongenuanceerd en ongecensureerd door de ruimte. Over foto’s die ze gekregen heeft: “Ja, die heb ik gezien, die glanzende geposeerde kiekjes toch?”

Dan ben ik 40 weken zwanger van Bobbie. Het is bloedheet, 10 uur ‘s avonds en we liggen al in bed. De telefoon gaat. Eerst de vaste lijn. We negeren het. Maar als mijn mobiel klinkt weten we dat het menens is.

Het is 8 juli een jaar geleden dat ze haar lichaam aan de wetenschap schonk. Heel gedoe nog, om haar in het betreffende Universitair Medisch Centrum te krijgen. Zo regeert Oma Fladder toch nog even over haar graf heen. 
Ze besluit het in de laatste fase van haar leven. Tevens de fase waarin ze herhaaldelijk zegt dat ze hersenchirurg wil worden.

“In een volgend leven Eva, ik ben niet gek heur.”

You talkin’ to me?

Boris wil graag op judo. Via via ben ik contact gekomen met judoleraar Richard. Richard is doof, maar met een apparaatje kan hij wel wat horen en dus praten.

 “Hi, you must be Eva and you must be Boris.” Maar dan in een soort robottaal, want Richard is dus doof ja.

 “HI RICHARD. I AM EVA INDEED. HOW ARE YOU?” Langzaam. En vrij hard. Ik kan er niet mee stoppen. Alles wat ik zeg is hard en langzaam. Ik kijk hem ook heel aandachtig aan. Zo van, ik weet wel dat je doof bent, dus daarom doe ik extra mijn best. Het is nog best ingewikkeld om vervolgens tegen de andere moeders weer zacht en in een normaal tempo te praten.

De kinderen gaan in de tussentijd gewoon aan de aan de slag. Het is waanzinnig leuk. Zij zijn totaal niet bezig met Richard’s stem of zijn gehoor. Ze luisteren gewoon naar wat hij zegt. En doen dat vervolgens.

En ik doe ook wat me is gezegd en hijs me in mijn badpak. Hardlopen en fietsen etc. zijn immers uit den boze.

Mijn hoofd zorgvuldig boven water houdend, doe ik de schoolslag terwijl ik aan alle kanten word ingehaald. Door senioren die zich eerst heel behoedzaam in het water laten zakken. Maar dat is allemaal maar schijn. Eenmaal in het water zetten ze hun toverbril op en snellen als speedy gonzalesjes door het bad.

Er is verder geen wedstrijdelement te bespeuren in het bad, maar toch doe ik ineens ook de borstcrawl. Het is dodelijk vermoeiend. En misschien ook net iets teveel van het goede, want twee uur later voel ik weer een doktersbezoekje aankomen.

In Nederland zou ik al weggehoond zijn door de doktersassistente.

“Hoe lang heeft u dit al?” “Heeft u koorts?” “Ja, het is wel de tijd van het jaar hè, lekker gorgelen met zout water.”

In Zuid-Afrika daarentegen is de particuliere patiënt koning.

“Kunt u er over 10 minuten zijn?”

Ik herhaal wat ik denk dat ik heb. Misschien keelontsteking, misschien oorontsteking. Zodat we aan beide kanten van de lijn duidelijk hebben dat het allemaal best zorgwekkend is, maar nog geen spoed ofzo.

“Yes, I heard you.”

En zo zeg ik 10 minuten later “aaaa en amen” en laat me een waslijst aan pepmiddelen aansmeren.

Met mijn boodschappenlijstje ga ik naar Erna van de apotheek. We doen alsof we elkaar voor het eerst zien.

En terwijl zij anderen instrueert, hang ik op haar toonbankje en lees zo’n beetje half de flyer ‘wat te doen als je kind chemicaliën binnen heeft gekregen’. Blijkbaar moet je in veel gevallen niet naar de McDonald’s. Wat me op zich logisch lijkt.

Dan realiseer ik me dat het hamburger tekentje duidt op ‘eten in het algemeen’. Gek. Dus ik vraag naar ‘het waarom’ aan Erna. Maar die hoort me niet. Of ze doet net alsof en zet de zak met medicijnen zo bovenop de flyer.

Howzit?

In Zuid-Afrika vraagt iedereen aan elkaar hoe het gaat. In het begin was ik nog wat sceptisch: “Why?”

Maar inmiddels maak ik er een sport van. Naast “good, you?”, zeg ik ook “sharp, yourself?” en “fine, fine, fine, you?” De Zuid-Afrikaan zelf zegt ook lekker (lekkah) en 100% (100 p’cent).

Het houdt overigens wel op na deze formele uitwisseling. En de ervaring leert dat het ook lastig is een bruggetje te maken als je iemand niet vaak ziet. Niet dat je tegen een parkeerwacht – die je voor het eerst ziet – zegt: “Hee, hoe is het verder met je moeder?”

Bovendien is het is niet de bedoeling. Zuid-Afrikanen zijn gewoon erg vriendelijk en gastvrij voor de bühne. We moeten allemaal komen braaien. Ooit. 

Wij blijven in de tussentijd stug volhouden.

Zo hebben we onszelf al eens uitgenodigd voor een braai. De man des huizes bleek jarig en zo stonden we in het decor van een whisky drinkende familie, opgeluisterd door Millie Vanilli (‘Girl you know it’s true’) en andere jaren 80 R&B.

Ik heb op school – weinig succesvol – moeders achter de broek gezeten voor een playdate. En laatst ontmoetten we mensen in een cafeetje met een zoontje in de leeftijd van Boris. We nodigden hen uit. Op een regenachtige zondagmiddag stonden ze voor de deur. In vol ornaat. Hij in zijn korte broek. Zij in haar huispak. En allemaal op crocs. 

Dat was het moment om alles maar eens helemaal los te laten. En dat werkt prima. Gelukkig, want anders had ik me verplicht gevoeld in de sportschool andere bezwete mensen aan te spreken. En dan was mijn blessure zowel voor mezelf als voor het integratie aspect bovenmatig teleurstellend geweest.

Ik heb nog nooit een blessure gehad, maar ik heb nu echt pijn in mijn scheenbeen. Veroorzaakt door het sporten en door het lopen op slippers van 10 euro. Die geven helemaal geen steun. Aldus de dokter.

Hij houdt er een tussen 2 vingers omhoog.

“Do you wear these often?”

“Ja, nouja, ik moet die winkels dus in. Het zijn krachten waar ik geen invloed op heb.” Ik zit met mijn tenen tegen zijn gebedskleedje gekruld, dus dat schept op het bovennatuurlijke vlak toch een band.

Maar ik zeg “Uhm, gaat wel.”

“Yes, well, they are maybe fashionably interesting, but that’s about it.”

Ik ga geen discussie aan over mode en hoor gelaten het vonnis aan.

Ik slipper naar buiten en de parkeerhulpmeneer vraagt: “Howzit?”

Dus ik denk ja, eigenlijk best kut. Want ik mag van de dokter niet hardlopen en niet eens fietsen omdat ik pijn heb in mijn scheenbeen.

Maar ik zeg het niet. Want dan ontspint zich een discussie.

Dan zegt hij van “Ja, met mij gaat het eigenlijk ook niet zo lekker, want ik heb geen eten en ik woon in dat hutje met lemen lappen en ik heb mijn vriendin zwanger gemaakt, maar eigenlijk was ik al met iemand anders, dus allemaal gedoe.” 
En dan zeg ik:  “Ja, dat is inderdaad ook vervelend.” 
En dat kan dan eindeloos duren en er wordt bovendien niemand vrolijker van.

Dus ik zeg: “Sharp. You?”

Zomaar een dag

Ik ben onderweg naar het politiebureau. Alweer. Precies een week geleden was ik er ook. Maar toen ontbraken en de aan mij toegewezen inspecteur en het dossier over de botsing. “En zonder dossier kunnen we niks hè mevrouwtje.”
Vandaag is er weer niemand. Dus ik bel de inspecteur maar weer eens en herinner hem aan de afspraak. 
“Oja. Oja, jaja, ik ben onderweg.” Zegt hij.

Even later stappen er 4 mannen uit de auto. Het is net de familie Doorzon. Blijkbaar hebben agenten hier een nogal wijde uniformbroek.

Een van hen zegt: “Hello miss Lebens”. Dus dat zal mijn inspecteur dan wel zijn. Ik dribbel achter hem aan. Althans, zo voelt het.

In het kantoor van 3 bij 4 zitten 3 mannen. De ruimte wordt verder voornamelijk gevuld door drie enorme houten bureaus met houten opzetstukken. Voor post en andere belangrijke papieren. En er is een stereotoren. Er komt vrij harde housemuziek uit. Ik stel me voor dat ik ineens ga dansen. Wat ik natuurlijk niet doe. Het is geen film ofzo. Maar alsof ze me door hebben krijg ik van een van de mannen wel een stoel.

Dan beginnen we aan het officiële gedeelte van het bezoek. Voor de zoveelste keer spel ik mijn naam.

“Zal ik het zelf even opschrijven?”

“Mem, are you an inspector?”

Dan niet.

De verklaring is erg Zuid-Afrikaans. ‘Ik ben een getrouwde witte vrouw, ik ben momenteel niet werkzaam en reed op …’. En zo dringt de realiteit van Zuid-Afrika zich weer aan me op. Het duurt nog geen 10 minuten. Gelukkig maar, want mijn niet werkende plicht roept.

De leraren hebben namelijk studiedag. En om 10 uur hebben we het dagprogramma er al doorheen gejast. Dus we gaan naar de supermarkt.

“Ik wil in het karretje!” Schreeuwt Boris. “Ik ook in het karretje!” Schreeuwt Lucie.

Met het deinende karretje snel ik precies een kinderarmlengte van de schappen. Anders moet ik straks weer dingen afrekenen die ik niet nodig heb.

We zijn bijna klaar. “Ik wil eruit!” Schreeuwt Boris. “Ik ook uit!” Schreeuwt Lucie. Ze rennen door de supermarkt, terwijl ik de laatste dingen bij elkaar gris en hun laatste dingen weer terug mik in het schap.

Laatste horde. Afrekenen. Boris en Lucie staan bij de mevrouw van de klantenservice. Ze doen ‘hide en seek’ met haar. Het spel wordt vrij eenzijdig beleefd. Bovendien zien zij haar nauwelijks, want ze zit op een stoel. Dus je ziet alleen veel haar en een neus, maar misschien verhoogt juist dat het spelelement.

En ik zie hoe tergend langzaam mijn boodschappen worden gescand. En geïnspecteerd.

“Wat ga je doen met al die dadels?” Oh god.

“Nou, ik gebruik ze om cakes mee te bakken. En je kunt ze ook in een gerecht doen.” Alsof het een test is, zoek ik naar een geschikt antwoord. ‘Een gerecht’. Alsof ik er straks iets ingewikkelders mee ga doen dan opeten.

We zetten de boodschappen in de auto, geven de parkeerhulpmeneer 5 rand en rijden – voorzichtig – naar huis.