Monthly Archives: July 2011

Loslaten

“Ja!” Roep ik vol overtuiging als Joost zegt: “Ik ben gebeld voor een baan in Zuid-Afrika.” Waarop we elkaar heel verbaast aankijken. Ik ben helemaal niet zo’n snelle beslisser. Dus we verwachten blijkbaar allebei:

“Ja, haha, wat denk je zelf? Zuid-Afrika, ik ga liever gewoon dood.”

“Ja, nee, misschien inderdaad niet (…)”

De hormonen tieren welig. We (over)leven namelijk drie weken na de bevalling van de derde. Het is de periode dat ik altijd zeker weet dat ik de rest van mijn leven bij mijn kind blijf. In abstracte zin dan. Want op die roze wolk denk ik nooit aan dat met klei, verf en papier-maché.

In deze hormonale hoerastemming duiken we ’s avonds op het internet. Wij, Zuid-Spanje backpackers (met gehuurde auto) en Zeeland gangers (in 6-persoons bungalow) zullen nu Zuid-Afrika wel even ‘doen’.

Na zaken als klimaat (jeuh!) en huizen (jemig!), googelen we al snel “Zuid-Afrika en veiligheid”. Tsja.

Het bruisende gevoel slaat dood als bier in een plastic bekertje.

In mijn hoofd ontstaat een beeld van mannen die de hele dag met pistolen rond omheinde complexen rennen met als doel alles en iedereen te beroven (en daarna te vermoorden).

Vrij snel stellen we elkaar moeilijk te beantwoorden vragen. Met als hoofdelement: Kunnen we onze kinderen een gevoel van veiligheid geven als we dat gevoel zelf niet hebben?

Het slaat nergens op, oordelen over een land waar we nog nooit zijn geweest en een gevoel dat we wellicht nooit krijgen. Maar de grote zoektocht naar houvast en zekerheid, als het gaat over de veiligheid van de kinderen, neemt onderhand immense vormen aan. Ook weer niet zo gek, want na de geboorte heb je ineens dat hoopje mens in je armen dat groter is dan jijzelf. En zit je bovendien opgescheept met:

Verantwoordelijkheidsgevoelens, Schuldgevoelens, EN Oergevoelens. Want dat mensje bescherm je als een leeuwin. Eerst houd je het uit de klauwen van de goedbedoelende kraamvisite en als de roze wolk optrekt, uit de klauwen van de rest van de boze buitenwereld.

Toch?

Goed. Op enig moment hakken we de knoop door en inmiddels zijn we zes maanden in Zuid-Afrika.

En waar ik in het begin vanuit een overdekte en beveiligde ‘mall’ met geld in mijn sok nog fluisterend Joost bel: “Je moet me nu komen halen, want ik moet zo oversteken en ik weet niet of dat veiligheidstechnisch wel kan”, cross ik inmiddels door het ganse land.

Maar wel van veilige ‘bubble’ naar veilige ‘bubble’.

Want ja, het is niet altijd veilig. Vaak ingegeven door armoede: Ik heb geen flikker te eten en jij hebt een auto/ tas/ huis. En dus wordt beroofd, auto’s gehijackt en worden huizen vakkundig en volledig ‘gecleared’. Van flatscreen tot vaatdoek en vlees uit de vriezer.

De terugkerende vraag blijft: Hoe bescherm je (in dit land) je kinderen?

En misschien zit het wel zo.

Met de geboorte al begint ook het grote loslaten. En je kunt het maar beter accepteren.

Want als er een ding is dat je niet kunt, is het je kind voor alle kwaad behoeden.

Typisch

Bij de kapper kom ik nogal chaotisch aan. De navigatie stuurde me goed, maar wie vertrouwt computers tegenwoordig nog, dus ik ging toch liever naar rechts. Ik ben dus al te laat en moet ook nog langs de parkeerhulpmeneer van vandaag. Hij vraagt:

 “Ben je te laat voor je afspraak? Ben je bang voor die mannen?”

Op links staan twee mannen met een gummiknuppel. Recht naast mijn auto. Ik kan niet zeggen dat ik helemaal relaxt word van deze aanblik, maar een mens moet prioriteiten stellen. En ik moet naar de kapper.

Dus ik zeg: “Ja, ik ben te laat.”





En terwijl we naar de kapper lopen zegt hij:
“Ik bewaak je auto en als ze vervelend doen, schiet ik ze kapot.”

“Oei” Zeg ik. “Dat lijk me niet zo verstandig.”

De man zegt iets onverstaanbaars, loopt met me mee, drukt op de bel van de poort van de kapper en loopt nog namurmelend in zichzelf door.

Helemaal niet in de richting van mijn auto overigens.

Ik snel naar binnen.

“Ik dacht al je komt niet meer.” Om in een adem door te ratelen: “Ben je een creatief, romantisch of dramatisch type?”

Ik bedenk me dat ik èn het ijs moet breken èn dat ik ervoor waak dat hij mijn haar er niet helemaal afknipt. Want dat doen kappers.

Met dezelfde zekerheid dat ik geen pap meer kan zeggen, maar nog wel “Oja lekker een chocolaatje”, knippen zij er altijd net teveel af.

Dat ik thuiskom met mijn geföhnde kop, het hele begroetingsritueel (“Hoi, hoe is het, had je niet even op kunnen ruimen, hoe ging het met de kinderen”) oversla, direct doorloop naar de spiegel om met een klein spiegeltje de lengte van mijn haar aan de achterkant te inspecteren.

Om te schreeuwen concluderen: “Zie je wel het is heel kort!”

Waarna mijn gemoedstoestand dusdanig is dat we sowieso belanden in een echtelijk dispuut. Maakt niet uit waarover.  

Dus wat kan ik nou het beste kiezen?

Blijkbaar wacht ik te lang, want de kapper begint met zijn uitleg. “Draag je vaak lange zwierige rokken?” Ja, denk ik, soms.

En ik vermoed dat hij het heeft over het romantische type dat vast ook lang golvend haar heeft met een lint erin. En gezonde blozende wangetjes. De Frizzle Sizzles van deze wereld.

Alles in mij schreeuwt om de introductie van het conservatieve type. Lekker weinig eraf. En ook omdat een gothic kapsel me niks lijkt, net zo min als een kort rood kapsel met plukjes.

Maar ineens vind ik geen keuze heel slappe zakkerig. Dus ik zeg buiten mezelf van kordaatheid: “Ik ben heel creatief.” Hij knikt goedkeurend, ik hoor het ijs breken en hij begint te knippen.

We zijn klaar en ik sta in de rij om te betalen.

Huh?! Ik sta achter mezelf. Ik ben wel vrij klein ineens en ik heb echt een hele vreemde spijkerbroek aan.

Maar het had zo gekund.

Zelfde kniptechniek, zelfde föhntechniek. Met een aan zekerheid grenzende waarschijnlijkheid heeft ook zij het romantische, creatieve of dramatische type gekozen.

Grenzen





We gaan op vakantie. Het is best wel even rijden. De kinderen zijn na een hazenslaapje allemaal wakker. Dus ik zit de hele tijd half omgedraaid crackers en zure snoepjes in monden te stoppen. Het is het lot van de vrouw. Waarom, vraag je je soms af. Maar dan denk je zuchtend, het zal de evolutie wel weer zijn. Eerst was het jagen, nu autorijden.
Misschien komt het door dat berenvel dat ik toch al in mijn hoofd heb, want ineens ontwaar ik een soort fata morgana, of in ieder geval iets raars. Maar als we dichterbij komen is het geen neger zonder kleren die aan de weg aan het werken is. Maar een neger in een oranje overall. Het zou ook wat zijn een neger met een oranje lijf, maar toch dacht ik het.



We zijn onderweg naar een gamepark. Het klinkt alsof we na aankomst allemaal aan een cola-infuus worden gelegd, een bak chips continu binnen handbereik hebben en 24/7 computerspelletjes gaan doen. Maar we gaan op safari.

We slapen in een lodge. Met z’n vijven in een soort open ruimte, slechts begrensd door mijn comfortzone.

We zijn nog niet binnen of ik ben al een rolberoerte nabij, want ik weet zeker dat ik mijn herriestoppers ben vergeten. Terwijl mijn lijf tassen doorzoekt, is mijn hoofd vast bezig te bedenken of ik anders herriestoppers van watjes zal maken of dat het absorberende spul uit luiers misschien beter werkt. Tot ieders verbazing en ook opluchting heb ik reserve bij me.


Samen met Boris ga ik om 7 uur op ochtendsafari. Vast van plan de cheetah van Joost en Boris van de vorige dag overtreffen. Het is 10 graden in onze uit houten latjes opgetrokken lodge en een safari doe je in een open auto. De wind raast langs onze wangen.

Terwijl Boris zegt dat het wel heel cool zou zijn als we ook de ramen uit onze eigen auto halen, zie ik overal warme douches. Over die cheetah, of zich verstoppende olifanten – waar ik me ook niks bij voor kan stellen trouwens – maak ik me al helemaal niet druk.


’s Middags mogen Lucie en Bobbie ook mee. We hebben een ranger die eigenlijk documentaire maker wil worden, hier zijn opleiding heeft gedaan en (…) voor de BBC. 
Het gaat over de dieren en het reguleren van de aantallen. Dat ze worden gedood als er teveel van zijn. Dat leeuwen worden gekocht om de big 5 compleet te maken. Dat soort dingen.

We kunnen van de informatiestroom een gesprek maken. Over dat HET hek ook het werkwoord regelen bracht. En of dat goed is of juist niet. En als niet en we de hekken weghalen we dan weer zoals vanouds gaan jagen (en fruit verzamelen). Etc. 

Maar hee, ik ben wel op vakantie.

En dus kijk ik nog maar eens naar de wapperende haren van de kinderen en verlang even terug naar de ranger van de ochtend. Die gewoon zei: ‘ Yeh men, look at those impala’s they have the M from McDonalds on their bum.’

Geplette witte boon

“Heb jij ook het gevoel dat je bovenlichaam langer is geworden na je zwangerschap?”

Ik heb een glas wijn in mijn ene en een bord curry in mijn andere hand. Niet bepaald de elementen voor een goed gesprek over lichamelijk verval. Maar mijn überslanke, Zuid-Afrikaanse gesprekspartner vraagt het me heel serieus. Nu vind ik ook heus veel van mijn lijf na mijn zwangerschappen, maar dat langgerekte is iets waar ik me op zich nog niet druk over had gemaakt.

Maar om dat nou te zeggen. Of liever nog: “Wat loop je nou te zeuren, je lijf kan er nog best mee door, maar die rimpels!”

Waarna we elkaar aankijken, heel hard lachen, ons verdiepen in een soort filosofischachtig gesprek over de wereldproblematiek, midden in de woonkamer een dansje wagen want wat maakt het allemaal uit en het leven is maar kort en vrienden voor het leven worden.

Maar goed.

Onwillekeurig dwalen mijn gedachten af. Naar de bakker waar ik werkte toen ik 15 was. In Sinterklaastijd was er altijd een groot marsepeinen varken. De klant mocht zelf de grootte van zijn plak bepalen. En als hij het gewicht (min of plus 10 gram) goed had, kreeg hij het gratis mee. Nooit meegemaakt. Wel dat ik per ongeluk veel te dikke plakken varkenslichaam afsneed. En klanten heel veel moesten betalen. Waarop ze mij enigszins wanhopig aankeken. En ik mijn 15jarige ietwat onnozele glimlach inzette om duidelijk te maken dat ik het ook allemaal heel zielig vond, maar dat ze wel zelf hebben aangewezen hoe groot hun stuk moest zijn.

En daar moet ik dus nu aan denken. Een plakje varken.

De Zuid-Afrikaanse heeft het inmiddels over chemische pillen die ik zeker moet slikken tegen de vergankelijkheid. Ik wil ter relativering iets grappigs zeggen over het marsepeinen varken. Maar wat in vredesnaam is marsepein in het Engels?

Het alternatief, ‘geplette witte bonen’, brengt me terug bij de kantine van de middelbare school en bij gevulde, maar vooral roze koeken. De vertaling van geplette witte bonen is zo mogelijk nog ingewikkelder. Als je er een grap van wilt maken tenminste. Hoe dan ook is het moment inmiddels gepasseerd.

Misschien maar beter ook, dat mijn Engelse vocab. me hier en daar in de steek laat. Want de combinatie uiterlijk en varken ligt natuurlijk nogal gevoelig. In het algemeen en helemaal op de weg naar integratie.