Monthly Archives: August 2011

Van boven

Ik ga naar bed en gooi voor het tanden poetsen Linda (de) vast op bed. Er kruipt een mier onder haar vandaan. Die maak ik dan zo wel dood, denk ik nog.

Maar als ik terug kom, zitten er ineens zo’n 100 mieren bovenop het dekbed. Lijkt me onmogelijk. Dus ik doe mijn ogen dicht. En weer open. Ze zitten er nog.



De mieren hebben zich gegroepeerd rondom ontbijtrestjes van de kinderen. Blijkbaar zijn die paar kruimels genoeg om hele troepen te mobiliseren.

Het kan ook weer alleen in het dierenrijk, dit. Ergens ontdekt een mier iets. Vervolgens loopt hij ermee naar huis en direct wakkert dat het verzamelinstinct bij de rest aan.

Alhoewel, het is niet zo dat ik ze met een vergrootglas zit te observeren. Dus het kan net zo goed zijn dat ze deze maaltijd gewoon tijdens een wandeling ontdekten. Dat sommige mieren niet eens bezig zijn met het eten, maar gewoon een beetje heen en weer flaneren. Of niet willen eten omdat ze denken dat ze er dik van worden.

“Wat is het?”

“Ja, beetje droog, maar op zich goed binnen te houden, ik denk iets van cracker ofzo.”

“Oh cracker, weet je wel niet hoeveel suiker daar in zit?!”


Maar goed. Voor ik me teveel met de mieren ga identificeren, ze moeten wel weg van mijn bed. En omdat Joost er niet is, moet ik ze ook nog zelf wegjagen.

Ik overweeg verschillende dingen. Zoals dood sprayen met mijn lievelingsspuitbus DOOM. Laten krioelen en op een matras slapen. Opstofzuigen.

En omdat ik het gewoon niet meer weet, veeg ik ze ineens met mijn hand allemaal dood. Het voelt heel vies, allemaal kleine balletjes onder mijn hand.

Gelukkig gebruik ik maar een hand. Het is denk ik mijn hier ontwikkelde ‘taarten bak reflex’: met een hand kneed je, en de andere schone hand gebruik je om ingrediënten toe te voegen. Wat overigens een zinloze exercitie is, want ik vergeet altijd van te voren de dopjes van de ingrediënten af te schroeven. Dus het wordt sowieso alsnog een teringzooi.


Daarna zuig ik ze op. Dan ontdek ik dat er nog een paar van het raam naar het bed marcheren. Die troepen vernietig ik ook. Maar wat nu verder? Als er niemand terugkeert van het strijdtoneel begrijpen de achterblijvers dan dat het een dead end is? Voor de zekerheid zet ik mierenlokdoosjes neer.

Maar godgloeiende waar zijn die mierenlokdoosjes? Ik zie geen andere uitweg en ik bel Joost.

“Hoi.”

“Hee? Ik heb mijn Sabreur diploma en we kleden ons nu om voor het ‘loveboatfeest’.
Hoe is het daar?”

“Als je het perse wil weten ok, maar waar zijn de mierenlokdoosjes?”

Het feest staat echt mijlenver af van mijn slaapkamerprobleem.

En aan de andere kant, als je ons van boven ziet, zien we er allebei waarschijnlijk even druk uit.

Decor

Ik zit in een disco taxi en ben op weg naar een kroeg.

Het is dus niet zo dat ik dacht ‘hee laat ik anders eens boodschappen doen met een disco taxi’. Of althans, ik denk het dus wel, maar ik voer het niet uit. Want sommige dingen doe je gewoon niet.

Als je op de snelweg met 120 km/u de afrit passeert waar je er eigenlijk af had gemoeten, gooi je het liefst je GPRS uit het raam. Om vervolgens vloekend op de rem te trappen, achteruit te rijden en toch de juiste afrit te nemen. Dat zal je GPRS leren!

Maar je doet het niet.

Goed. We – alleen in een disco taxi zou ook gewoon vrij sneu zijn – zitten dus in die taxi.

“Hier probeer deze cd!” Een van ons heeft een zelfgemaakte cd met hits van nu er op bij zich. De fancy DVD-speler pakt de cd niet.

“Uhm, misschien heeft radio 5 nu iets leuks op?”

“Radio 5, radio 5!” Roepen we.

En dan knalt de muziek uit de boxen. Maar om nou volledig nuchter de handjes in de lucht te gooien?

“Nou, ik ben benieuwd hoor!

Ja, nou!” Schreeuwen we dus naar elkaar om boven de muziek uit te komen.

Het volgende moment sta ik soort van heupwiegend in een dansgelegenheid. En terwijl ik eerst slechts op een cola light beweeg, blijk ik nog veel meer in mijn mars te hebben na ook een mojito. Die geserveerd wordt in een vaas.

En nog een. Of nee, die tweede wordt ingewisseld voor iets met cola die ik krijg van een meneer die mijn vader had kunnen zijn. En dat is toch apart. Want vaders waren toen ik 15 was ook al in de disco, dus ergens is er iets mis gegaan, zou je denken.

En dan zegt hij ineens: “You look hot babe”.

En that’s it.

Ineens ben ik uit de roes en sta in het decor van de kroeg.

Het is alsof je bij een concert van Marianne Weber zit. Op een klapstoel. Je ziet haar staan in haar gebloemde doorkijkjasje.

Na de eerste noot zegt ze al: “Laten we het gelijk maar lekker doen, allemaal inhaken!”

Dus dat doe je, want het zal wel zo horen.

Dan kijk je om je heen en je ziet kale mannen en vrouwen met een permanent, terwijl je dacht dat kappers dat niet meer deden anno nu. En dan wordt op de megaknaller ‘Ik ben een weekje alleen naar Milaan gegaan, ik heb me trouwring zellufs afgedaan’ de polonaise ingezet. Maar niet echt, we draaien een kwartslag pakken elkaars schouders en zingen vooral heel hard mee. En net als je je omdraait om je vingers te laten zinken in het spek van je buurvrouw, zap je weg.

Na ja, misschien is het ook niet hetzelfde.

Hoe dan ook. Ik poog nog iets ingewikkelds op de dansvloer, maar het is te laat. Met geen mogelijkheid word ik nog onderdeel van het geheel en ik druip af.

Nb.

Voor wie toch denkt dat ik (of erger nog ‘we’) wel eens bij een concert van Marianne Weber ben (zijn) geweest, het is niet zo. Het is wel zo dat BVN tv bedacht heeft dat Nederlanders Marianne Weber cs vast erg missen, want het is iedere maandagavond prijs. De weergave is dan ook grotendeels een reflectie van de werkelijkheid.

Opgelost

Op de Ipad lees ik over het alternatief van cremeren en begraven: resomeren.
Ik vraag me af of ik wil oplossen als ik later dood ben. Of toch liever niet. Want, wie wil er nou worden opgelost? Liever blijf je mysterieus achter. En nog los van het mysterie, van mij hoeven ze na mijn dood niet perse te zeggen:
“Zo kijk eens wat een lekker klein zakje botgruis er van dit mevrouwtje overblijft.” 
Dat ik milieutechnisch misschien interessant ben, maar dat dat van die zware botten altijd een fabel is geweest.




En terwijl ik dus in deze ingewikkelde discussie met mezelf verzeild ben, komt de maid binnendweilen. Ze ziet eruit alsof ze naar een festival is geweest.

“Wat heb jij nu weer gedaan?” Vraag ik haar.

“Ik heb zo hard gezongen en gedanst!” Roept ze met schorre stem.

Blijkbaar was er dit weekend een bijeenkomst van de kerk.

Ik heb niet zo heel veel met het geloof. Ik denk af en toe wel ‘wat nu als je dood bent, dan is alles dus voorbij’. Het is een verstikkende gedachte.

In iets geloven zou in theorie dus louterend kunnen werken. Dan is dit hele aardse sjalaliesjalala bovendien ook nog ergens goed voor. Maar het lukt me gewoon niet.

Dat is al vroeg begonnen. Ik wist eerder van het bestaan van Robert Long dan van God cs. Wij zongen thuis vooral heel hard “Jezus redt! Jezus redt! Alle mensen opgelet (…)”

Daarna heb ik me misdragen tijdens bijbelles en toen ik me Grote Dingen ging afvragen was het al te laat. Waarschijnlijk omdat ik van het soort ben dat iets pas serieus kan nemen als:

A: iemand iets doet, vindt of zegt waar ik veel respect voor heb; of

B: het bewezen is (bij voorkeur wetenschappelijk).

Het enige dat wij wel van het geloof hebben zijn het kerststalletje van little people (een speelgoedmerk) en het kinderboek “God”. Het boek gaat over een jongetje dat best graag door God opgehaald wil worden. God is een konijn, vindt iedereen lief, eet wortels èn vindt dat alle konijnen blij moeten zijn met hun wortels. Hij heeft daarnaast de gave zijn kinderen en zichzelf in slaap te toveren. Maar om wakker te worden heeft hij wel een wekker nodig.

Tot zover de bijbelse literatuur.

Het kerststalletje is een doorsnee stalletje, maar dan in een soort lilliputter uitvoering. In een kribbetje ligt dan ook een klein, gedrongen Jezusje.

Boris wilde het stalletje hebben. Er zitten allemaal handige hekjes bij waarmee je kunt bouwen.

“Waar is het kasteel van Jezus?”

“Waar is het kasteel van Jeheeeeezus?”

Ik haal het kerststalletje uit de kerstdoos.

Boris bekijkt alles, houdt de baby omhoog en vraagt:

“Wie is eigenlijk de vader van Jezus?”

Dus ik zeg “God”. Boris kijkt me heel moeilijk aan. En zegt:

“Hoe kan dat nou weer, je liegt mama. God is toch een konijn?”


Ik zucht. Het is en blijft een mysterie hè, die God.

En, ontspan

“Ah, you are a lady of leisure.”
Net als ik een beetje bedreven wordt in het ontwijken van de term ‘housewife’, wordt me – alsof het niets is – een nieuwe uitdaging voor de voeten geworpen.

En waar housewife tenminste nog iets actiefs in zich heeft, klinkt lady of leisure helemaal als ‘ontspan Barbie’; met sherry aan de rand van het zwembad.

Wat in theorie zou kunnen. In theorie zou ik ook mee kunnen doen aan een wedstrijd eieren eten. Of worst. Maar alles waar ik gewoon niet zo goed in ben, heb ik in de praktijk al lang afgezworen.

En toch zitten vriendin – die er al eerder is geweest – en ik op een regenachtige maandagmorgen in de auto. Op weg naar de schoonheidsspecialist.

“De behandelingen zijn goedkoop en zo ziet het er ook wel een beetje uit hoor.”

Dekt ze zichzelf vast in.

“Oh ok.” Zeg ik.

Het maakt me niet zoveel uit. Als ik maar niet in mijn nakie door een wasemende ruimte hoef te lopen waar ook andere mensen rondbanjeren. Met hun badjas half open zodat je net een glimp van iets ziet, wat je misschien niet wilt, maar waar je schuine oog toch op valt.

De laatste keer dat ik überhaupt iets echt beautyachtigs deed, was in Istanbul. We zouden wel even naar een Hammam. En in deze culturele uitspanning moesten we heerlijk relaxen op een steen, midden in een open ruimte, gehuld in niks dan een handdoek. Althans, zij noemden het een handdoek. Ik zou hem thuis in het laatje van de theedoeken leggen.

We zijn veel te vroeg, want vriendin is altijd overal veel te vroeg, dus we wachten in de regen, in de auto. En daarmee zetten we gelijk de troosteloze toon.

“Misschien zal ik haar even bellen?”

“Ja, goed idee.”

En daar komt een enorm roze gevaarte de hoek omzeilen, met in haar kielzog een frêle Indisch dametje. De eigenaresse en haar medewerkster.

We lopen naar binnen en botsen tegen een muur van wierook. Half bedwelmd zetten we ons tegenover de eigenaresse. Zij (55+) is gehuld in roze broek, roze shirt en roze shawl. De auberginekleurige droge krullen worden bij elkaar gehouden door een roze elastiek.

We bespreken eerst de loop der dingen.

Dat ouder worden niet erg is. Dat het leven begint bij 40 en dat de seks alleen maar beter wordt na je 50ste. Dan is het inmiddels zo gezellig dat ze er een sigaret bij opsteekt en we overgaan op ‘de dingen die je aan je lichaam kunt doen’.

Het advies van de eigenaresse: steeds kleine dingetjes. Zo is zij erg blij met haar tummy tuck. In die hele roze berg had ik nog geen taille ontdekt, laat staan dat ik die ingreep zou betitelen als klein, maar ze is er zichtbaar trots op.

Het rechtvaardigt in ieder geval dat ik kies voor een gezichtsbehandelingetje en het nieuwe laserapparaat dat uit een hoek van de ruimte naar me loert, gewoon negeer.

Het zou wat zijn. Dat ik eerst heel hard roep hoe anti ik wel niet ben:

“Nee, aan mijn lijf geen polonaise, ik zie me al liggen hahaha”. 
Om vervolgens na één keer schoonheidsspecialist volledig onthaard naar buiten te wandelen. En daarvan bij te komen aan de rand van het zwembad.