Monthly Archives: April 2012

In werkelijkheid

‘Ja hallo, met Eva, schikt het dat ik u nu bel?’

‘…’

‘Sorry ik verstond u even niet, wat zei u?

‘Nee’

‘Oh ok, wanneer schikt het wel?’

‘(…)’

‘Sorry, ik verstond u weer niet. En dat ligt aan mij hoor, mijn Engels is niet zo heel goed, want eigenlijk kom ik dus niet uit Zuid-Afrika maar uit Nederland en Engels is dus niet mijn mother tongue.’ Niet dat die man zit te wachten op al deze informatie, maar het rolt ineens zo lekker mijn mond uit, vooral dat mother tongue (soepel!) dat ik eigenlijk al opgelucht ben dat ik niet ook opdreun dat ik drie kinderen heb, hoe oud of dat ze zijn en andere niet zakelijke dingen. Ik wilde dat ik het had met belangrijke zinnen, dat vloeiend uitspreken, maar sommige dingen heb je ook net niet voor het kiezen.

‘In verband waarmee?’

Oja, natuurlijk in verband waarmee. En dan spreek ik de lulligste zin tot dan toe. Uit mijn leven.

‘Nou, u zat naast mijn man in het vliegtuig en jullie spraken over stoffen.’

Ik had 1000 andere dingen kunnen zeggen. Zoals, ‘Ik ben bezig met een business start-up en ik begreep dat u veel van stoffen weet.’ Ik had zelfs kunnen zeggen, ‘Luister, ik heb je een mail gestuurd waar alles in staat, dus hoezo in verband met wat?’ Maar zo’n telefoongesprekje in een andere taal met een vreemde man, brengt toch het meisje in je naar boven hè. Of zoiets. Wat overigens van de buitenkant niet te zien is hoor. Toen ik laatst een foto wilde maken van de kinderen ontdekte ik dat de camera op mijn telefoon twee functies heeft. Met de ene maak je een foto van iets of iemand, met de andere maak je een foto van jezelf. Een soort andersom functie. Had ik ineens mijn eigen hoofd van heel dichtbij in beeld.

Anyway, ik maak een afspraak en we gaan naar de fabriek waar stoffen worden bedrukt.

‘Bedrukken jullie hier stof voor regenjassen?! Voor het leger?!’ Zeg maar echt van defensie, van de overheid? Wow!’, roepen we extatisch uit.

Het enthousiasme waarmee ik me uitlaat over een regenjas voor het leger komt me zelf ook een beetje vreemd voor. Het is ook niet dat de mensen in de fabriek door onze uitlatingen ook automatisch beginnen te springen en klappen en met kinderlijk enthousiasme hun product aanprijzen wat mijn opwinding dan weer aanwakkert. ‘Een regenjas? Een regenjas, een regenjas? 1000 regenjassen, 100.000 regenjassen. Misschien maken we er wel een miljoen! En een kwaliteitje hè, kwaliteitje.’ En dat ze er dan net als op de markt een vuurtje onder houden om de echtheid ervan aan te tonen wat ik eerlijk gezegd nooit heb begrepen, waarop de hele fabriek ontploft. Wat niemand verbaast, want het is toch best een krakkemikkig pandje. En dat we dan in polonaise de fabriek uitlopen met als enig zichtbaar lichamelijk overblijfsel verschroeide haren terwijl we ‘Regenjas oh regenjas’ zingen en dan was het uiteindelijk een heel succesvolle ochtend. Want we hebben het overleefd en als je iets overleeft, maakt de rest, de wereld, het milieu, de regering (geen regering), de mensheid even niet meer uit.

Maar goed. In werkelijkheid wordt er niet op of omgekeken. Misschien komt het ook omdat er allemaal mannen werken in een fabriek waar stoffen worden bedrukt. Die legerstof kan er dan nog wel mee door. Maar wat als ze ’s ochtends een koffietje staan te drinken en horen dat er vandaag vijfkleurige bloemenstof op het program staat? Het lijkt me toch minder geschikt voor de man. Alhoewel je natuurlijk ook een man kunt treffen die het een enig printje vindt. Voor zijn vriendin. Of voor zijn vrouwen. Het is wel Afrika tenslotte.

Speculatie hoor, pure speculatie. Het is maar net hoe het je mond uitkomt. Of hoe het erin gaat. In het echt leven we natuurlijk allemaal gewoon van eetmoment naar eetmoment en soms zit er een lekker stukje taart tussen.

Living on the Edge

We went to the cinema and watched the movie ‘The Lorax’. It revolves around a young boy living in a rather grim world surrounded by a huge wall and who falls in love with a slightly older girl.
This girl longs for a real ‘Truffula tree’ in her garden that should still exist somewhere out there. And that’s how the adventure starts, the quest for a place outside of the grim city, with all its rules, to find fresh air and that one tree.

All five of the family dutifully watched the show. The two of those younger than 3½ years old, fell asleep halfway. Two of us tried desperately to fight off sleep for the duration of the movie. However the six-year old was quite entranced and re-enacted some scenes afterwards – telling us that the “best part” was the scene with those dancing zebras. It turns out that this particular scene was actually an advert for a forthcoming release.

And then we came home and found a letter wedged into our front door, which read (and here I summarize):

Your garage door should only be open when you enter or leave. Your garage door is found open too often; it is sometimes even left open at night. This is contrary to Article 17.2 of the Rules…. We have received a complaint about it and have verified this allegation to be true as from the 29th March this year. 

I thought to myself, ‘Seriously?’ Then in Dutch or something very like it I used some words that would be considered, well rude, and they probably lose a lot of their meaning in translation.

After that I looked up the rules governing the Estate.

Or well, I said, ‘Joost where are the rules?’ I need to point out that I am not the one whose job it is to administer, since I am liable to get lost in this two-holed, colored ring binder world.

Anyway, I read the rules which read blah-blah-fish paste, and it appears as if we are indeed contravening the rules of OUR beautiful Estate.
It didn’t cause a nervous breakdown. Being a nervous wreck over the rules of an Estate, where we voted with dead pan faces the evening before on whether to allow dogs larger than 20kg, is subject to inflation.

But still, were we possibly to blame after all?

I suddenly remembered the cultural orientation course that we attended when we had just moved to South Africa. I asked the trainer and myself during the course why it was so difficult to arrange play dates for son B. who was five by then.

The trainer did have a handy reply.

‘You are like the Swedes. The people probably think that you walk around at home naked.’

Then he kept silent and gave us a meaningful look.

OK, maybe it was not so much us, but me. I was after all the one who opted to have an influenza vaccination done in the pharmacy nearby administered by this muscular assistant. Instead of a white lab coat he wore a brown T-shirt with the slogan ‘The girls want me like a monkey wants a banana.’ This was hardly designed to set my mind at rest.

He administered the vaccination and when he was finished he said, ‘I’ve done this one very nicely, nothing spilled!’

I looked and said, ‘I couldn’t have done it better myself!’ I had no better retort and was actually quite happy that he didn’t accidently ink a tattoo on my arm.

Then I read the side effects one could get from the vaccine. “Patients may feel a little heavy-headed from the vaccination as well as fatigue and lethargy.”

Actually I felt all the effects immediately.

In this state of heavy headed lethargy my mind focused on our garage, packed with toys, the closed door, the open door, the fact that we were running around naked behind that revolving door at times when we have other children over for a play date, the fence surrounding the Estate, the guys that trim your hedge, the guys that clean your pool, lapdogs that are apparently appreciated on the estate and the black people that still help the white people for a pittance.

I thought, all of this must be caused by the side effects of the vaccine, because isn’t it fantastic.

Het is hier fantastisch

We keken in de bioscoop de animatiefilm ‘The Lorax’. Het ging over een dichtgeregelde stad waar geen boom meer groeide en alles van plastic was. De hoofdpersoon was verliefd op een ietwat ouder meisje, dat meisje wilde graag een echte boom hebben en zo begon het avontuur: De zoektocht buiten plastic city met al z’n regels, naar zuivere lucht en die ene boom.

We keken de film met z’n vijven. De twee van ons onder de 3,5 vielen halverwege in slaap. Twee van ons vochten tegen de slaap en de zesjarige speelde naderhand wat scènes na en vond ‘dat met die dansende zebra’ het leukst. Wat een voorstukje was van een andere film.

En toen kwamen we thuis en vonden we een geniepig tussen de deur gestoken brief waarin samengevat stond:

Uw garagedeur mag alleen open zijn als u er in- of uitrijdt. Uw garagedeur is vaker, soms zelfs ’s nachts open. Dit is in strijd met artikel 17.2 van de Rules (…). Er is over geklaagd. Het is gecheckt vanaf 29 maart jl.

Het is zo.

En ik sprak: Jongens, dit ga je niet ménen. Mijn Nederlands is sedert ons vertrek naar Zuid-Afrika blijven steken op Ter land Ter zee en In de lucht niveau. Blame het op BVN die ons overlaadt met het (Tros) Muziekfeest op het plein. Niet dat het ABN daar mede zegeviert.

Daarna zocht ik de regels van het Estate op.

Althans, ik zei: ‘Joost waar zijn de regels?’

Ik ben totaal niet administratief eindverantwoordelijk, dus ook mijn kennis over gekleurde multomappen en tweegatig ordner land is beperkt.

En inderdaad, we waren hartstikke fout bezig.

Ik geraakte er niet heel erg van in de stress of zo. Want stress over regels van een Estate, waar de avond ervoor nog met glad gestreken gezichten gestemd was of we honden zwaarder dan 20 kg wel of niet op ons Estate zouden dulden, is aan inflatie onderhevig.

Of lag het wel aan ons? Ik dacht terug aan de cultuurcursus die we volgden toen we net in Zuid-Afrika waren. Ik vroeg me tijdens de cursus hardop af waarom het zo lastig was speelafspraakjes te regelen voor zoon B. van zes.

De cursusleider had wel een antwoordje klaar.

‘Jullie zijn net als de Zweden. De mensen denken waarschijnlijk dat jullie naakt rondlopen thuis.’

Daarna liet de beste man een stilte vallen en keek ons veelbetekenend aan.

Ok. Misschien lag het dan niet aan ons, maar aan mij. Ik had immers in de apotheek, door een gespierd mannetje, de griepprik laten zetten. In plaats van een witte jas had hij een bruin t-shirt aan met daarop de tekst (vrij vertaald): ‘De meisjes willen mij zoals een aap een banaan wil.’ Het stemde me niet geheel gerust. Hij prikte en toen hij klaar was zei hij:

‘Nou dat heb ik even netjes gedaan, niks geknoeid.’

Ik keek en zei: ‘Nou! Ik had het zelf niet beter gekund.’ Ik wist geen betere tekst zo snel en was ook al lang blij dat hij niet toch stiekem een tatoeage had gezet.

Daarna las ik de bijsluiter. Lusteloos kon je er van worden. En moe. 
Ik voelde het meteen eigenlijk.

En in deze hele vermoeide, lusteloze toestand dacht ik aan onze garage vol speelgoed, de dichte deur, de open deur, dat wij achter die draaideur wellicht in ons nakie rondzwalken met name als we andere kinderen te spelen hebben, het gestroomlijnde hek rondom het Estate, de mannetjes die je heg bijpunten, de mannetjes die je zwembad schoonhouden, de kleine kutkeffertjes die we met z’n allen wel waarderen en de zwarte mensen die de witte mensen nog steeds voor een schijntje komen helpen.

En ik dacht, het komt vast door die bijwerkingen, want het is hier toch eigenlijk niet te filmen fantastisch allemaal.

Aan de race

In paniek schrik ik wakker. Het is de nacht voordat we 21 km rennen in Kaapstad. Heuvel op strompel ik, terwijl ik steeds denk ‘ik kan niet meer’ tot ik langs de kant van de weg een bekende zie. Ik barst spontaan in snikken uit, schop mijn schoenen de berm in en dat is dan dat.
En dan ben ik dus klaarwakker en is het nog lang geen tijd om te rennen. Ik denk wel, als ik gewoon nu ga heb ik het maar gehad. Dat had ik de avond ervoor eigenlijk ook al bedacht en uitgesproken, maar dat leidde alleen maar tot de reactie: ‘Dat is echt een belachelijk idee!’ En dat is het natuurlijk ook.

Dus ik laat, wakker als ik ben, het gesprek met moeders op school de revue nog maar eens passeren.

‘Of er langs het parcours wc’s zijn?’

‘Ja, of dat die er dus zijn,’ vat ik de vraag gemakshalve even samen.

De twee moeders van school kijken elkaar hulpeloos aan, daarna kijken ze mij weer hulpeloos aan en dan elkaar weer. Juist als ik me af begin te vragen of ze wel weten wat een wc is, geeft er één antwoord.

‘Nee, ja, nee, ja ze staan er wel, maar je hoeft eigenlijk nooit, zegt ze aarzelend. Nee, je hoeft eigenlijk nooit,’ voegt de ander opgelucht toe. Waarop ze een gesprek beginnen over de beste kleding om in te rennen en energiegel die je moet consumeren voordat je 4 km heuvel opwaarts rent.

Heuvel opwaarts?! Denk ik even, maar ik heb andere prioriteiten in de rangorde van vragen stellen.

‘En dat werkt niet laxerend of zo?’ Het beeld van dat je heul nodig moet terwijl je als een hinde soepeltjes 21 km aflegt, heeft zich aan me opgedrongen, dus ik moet het weten. ‘Nee, of althans, dat hebben wij in ieder geval nog nooit meegemaakt toch? Nee, dat hebben wij nog nooit meegemaakt.’

En omdat ik dan nog steeds wakker ben denk ik aan dingen die erger zijn dan 21 km rennen. Met op afstand, 56 km rennen, gevolgd door poep van de kinderen uit bad scheppen (of poep van een handdoek schrapen omdat die handdoek voor het poepen door dochter L. in de wc is gepropt), wonen in een krottenwijk en ik denk ook even aan Corky van de gelijknamige televisieserie uit de jaren 80. Had ik op maandag een proefwerk? Geen zorgen, gewoon zondagavond even Corky kijken die ondanks zijn geestelijke beperking toch een heel gelukkig leven leidde, zo op het oog.

Dus. Waar maak ik me eigenlijk druk om.

En zo sla ik me door de nacht heen en stuiteren we om 5 uur in de taxi naar de start.

Ik denk nog maar eens aan Corky, vraag me af of ik honger ga krijgen, of mijn muziek in de juiste volgorde op mijn iPhone staat, wat nu als het gaat plensregenen en of die energiegel wel in het zakje van mijn broek blijft zitten en niet zoals mijn autosleutel laatst geluidloos ergens op de grond viel, wat leidde tot een paniekaanval en het bewijs dat ik vrij goed een sprintje kan trekken als het per se moet.

En daarna poppen toch die wc’s langs het parcours weer op. Misschien omdat ik, terwijl ik de aanbevolen banaan eet, mensen zie queue’en voor van die festival wc’s en ik bij ‘wc’s langs het parcours’ mezelf tot op heden nog niet had ingebeeld op zo een gore Dixie plee.

In de tussentijd lijkt J. vrij rustig onder de hele situatie, maar neemt wel spontaan het Zuid-Afrikaanse accent over. Ineens hoor ik ‘Dankie’, waarop ik hem heel verbaasd aankijk, maar er wordt aan gene zijde niet verblikt of verbloost verder.

En dan is het ineens zover. Mijn iPhone speelt de liedjes helemaal niet af in de juiste volgorde, na een uur regent het al harder dan ik ooit zou rennen en energiegel met bananensmaak is best smerig. En toch zou ik het zo weer doen. Het publiek, de zakjes water en sportdrank die je met je tanden open scheurt, het bekertje cola waarvan de inhoud overal behalve in je mond terecht komt en de muziekbandjes langs de kant van de weg. Je vliegt, de flow en ineens ben je incrowd.

En overigens, namens de incrowd: Je hoeft dus gewoon niet.

The Glass Slipper

‘Um…yes, it just slipped out of its case,’ Joost says.
I stare at him. It’s not as though I hadn’t yet noticed that my phone had just made a free fall from a meter before it eventually crashed to the ground.

I look down and see that my phone is lying in the road, right next to the verge. I snatched at the phone. At first glance, the front glass seems perfectly intact.

Now is the time that someone should take action. Just as presents need to be carefully unpacked (even though I am hoping that he hasn’t bought me ‘something funny’, but a present that I asked for or really need) and I now realize that phones need to be picked up.

It’s my phone, so I do it. I bend down, pick it up with two fingers, count to two and turn it over.

And that’s how I discovered that the iPhone I have been battling to get working for four months has a body made out of glass. Broken glass and in such a way, that I certainly hope to be blessed with lifelong fortune.
‘Maybe your case is too big?’ suggested Joost.

Oh yes of course, he’s still there as well. I take a deep breath and give him my – maybe precisely now is not the right time to discuss the size of of the cover of my phone – look.

So, lifting the phone gingerly, I jog home and consult Google and look under ‘iPhone, back panel crushed.’

What kind of an idiot makes a phone out of glass?

My grandfather has a collection of crystal figurines hidden in a closet which are actually for decoration. Protecting these from inquisitive children is very tricky. The kids always want to play with the chicken, the owl and the rest of the ornamental animals.

This is where your higher education really comes in useful – organizing secure defenses in front of the closet by building castle walls of chairs and sofas. The animals can obey the herd instinct and seek shelter in the safety of the plate glass display cabinet under the down lights. You shouldn’t think this through btw, it isn’t Toy Story.

Even though I am beginning to have serious doubts – a phone is a tool. A tool that I can’t really live without. So I set off to the iStore to see if they can make the repair to the casing.

I enter the store and tell the two male assistants ‘I have dropped my phone!’

‘That’s not so handy’, says the grey-haired older man, while the younger man moves towards me.

‘Why would you make a phone out of glass!’ I yell.

‘Because it’s beautiful of course! And we men don’t drop things once they’re in our hands,’ that grey-haired gentleman again.

I happen to know plenty of men who let nice things slip through their fingers like water or simply drop things, like bad goal keepers. I think to myself.

So I decide to tackle the conversation on two levels – firstly nice gadgets and secondly soccer. Before I even get started I’m quickly interrupted by the older man.

‘Feel this,’ he says.

And what do I do? I feel it. I feel the back of the phone the elderly man proffers me who has attached soft cellophane to the outside of the phone.

After that I listen to the advice of the young man who tells me about a man who lives in Durban. I should give him a call, he says I should make an appointment and then we should meet so that he can repair my phone within 15 minutes. It will be as good as new, but really brand new he assures me. Unfortunately I couldn’t meet him then because he is currently on leave, but he gives me his number… the words turn into small talk and it goes back and forth and is all very entertaining, but I really have to do some shopping. So I say, ‘Guys, it was really nice meeting you, I will definitely give your man a call.’
‘Well, bye for now!’

And I break the Magical Spell with one blow.