Monthly Archives: May 2012

Ik zag er als een berg tegenop

‘En dit zijn dus hele handige slaapzakken!’
Het is typisch een tekst voor op de markt. Of voor op een babybeurs. Ik BEN op de babybeurs. Ik kan het zelf ook nog nauwelijks geloven, maar ik sta toch echt bij een kraam met een soort dekbedden in schreeuwerige motieven.

De verkoopster, in de 50, permanentje, net te strak wit blouseje en een wijde zwarte broek loopt op me af met in haar armen een opgevouwen berg slaapzak. Haar neus komt nog net boven de berg uit.

Het doet me denken aan de Titanic, terwijl de mensen toen tussen stijf gestreken lakens en onder een deken lagen. Het zal dus wel komen door de berg en door zoon B. (6) die van een vriendje hoorde van Jack en Rose, iets met een schip, die ijsberg en dat het schip in tweeën brak. Vooral dat laatste was reuze interessant.

De hele week ging het zo:

‘Maar mam, het was toch een groot schip, hoe kon het dan stuk?’

(…)

Mam, zijn al die mensen dan nu dood?

(…)

Mam, wie zijn dan Jack en Rose en leven die dan nu nog wel?

(…)

Dus we gingen naar de videotheek. Er stond 16+ op de dvd hoes. Ik kon me geen gewelddadige of zwaar erotische scenes met van alles te zien herinneren, dus ik vroeg aan het meisje achter de balie naar het waarom. Ze stopte even met kauwgom kauwen, keek op de zijkant van de dvd hoes, keek naar mij en zei, ‘Ja, het staat er, dus het zal wel zo zijn.’

Het was niet heel erg verhelderend, maar misschien mag je ook niet meer verwachten van het meisje van de videotheek.


We keken de film. We vonden hem wel goed. Althans, B. wees met zijn handen aan wat hij ervan vond. Het einde was goed – hij houdt zijn handen een klein stukje uit elkaar – met de boot en de reddingsboten (veel te weinig hè mam!) en de mensen die dood gingen, zelfs met hun ogen open! In het begin – de handen ver uit elkaar – werd vooral veel gegeten en dat was heul saai.

De vrouw van de dekbedden ratelt intussen gewoon door.

‘Hier probeer maar, het is echt heel compact enzo.’ En ze wil mij het geheel in de armen duwen. Maar ik houd mijn handen demonstratief op mijn rug.

‘Nou ik kijk eigenlijk alleen eventjes.’ En ik glimlach een ‘alleen kijken’ glimlachje. Het maakt niks uit, want ook hiermee geef ik het startschot voor de demonstratie van het product.

De vrouw rukt alle klittenbandjes van elkaar en zo ontvouwt zich een slaapzak. Althans, het zijn dus twee lappen dekbed die met klittenbandjes aan elkaar vast zitten.



‘En dan is dit helemáál heel handig’, zegt de vrouw glunderend.

Ze laat me een kussentje zien dat aan de onderste van de twee dekbedden bevestigd is.

‘Kijk een kussentje!’

‘Nou’, zeg ik, ‘Ik zie het!

‘En als je het kussentje niet fijn vindt, vouw je het zo hup naar achteren.’ En met een snelle beweging vouwt ze het kussentje zo hup naar achter.

Het lijkt me echt helemaal niet lekker liggen, zo’n bobbel boven in je rug en dat je hoofd dan als het ware naar achter valt. Het lijkt me typisch iets waar je hoofdpijn van krijgt. Maar als ze het er af zou knippen, zou ik het nog steeds niet kopen. Terwijl ze het er dan wel al af heeft geknipt en dat was omdat ik het zei en hoe moet ze het nu nog aan iemand anders verkopen?! En dat het dan volledig uit de hand loopt. Ik zie ons al rollebollend door de kraam gaan met overal dekbedden en kussentjes waarbij de polyester vulling onze mond en oren verstopt. Het lijkt me een ingewikkelde en vermoeiende exercitie.

Dus ik knik, mompel, ‘Ok bedankt nou doei’ en loop snel weg op zoek naar iets te eten. Zo’n babybeurs maakt hongerig.

Bestaansrecht

Ik ben in een Copyshop. Ik dacht dat Copyshops nergens ter wereld meer bestonden. Maarrrr, inmiddels weet ik dat alle dingen die je nergens meer kunt vinden, allemaal in Zuid-Afrika zijn geland. Zoals daar zijn carbonpapier en papieren registratiesystemen. Reuze handig want als je een foutje maakt, dan is er altijd nog typex. Tippex? Hoe schrijf je dat woord ook alweer? Om overigens nog maar te zwijgen over wegwerkzaamheden hiero. Want ALS er dan ’s een keertje aan de weg wordt gewerkt, staat er de gehele dag een levend mensch met een vlag te zwaaien dat je een baantje op moeten schuiven. Vlak voor de persoon met de vlag staat een geel bord met een man met een petje en een vlezige neus die zijn handen op christelijke wijze voor zich heeft gevouwen en de tekst spreekt: ‘Please don’t kill us.’ Ik vind dat een ingewikkelde zin. Het is alsof het lastig is om de wegwerkers NIET te killen. En als het lastig is om iets NIET te doen, dan is het dus veel makkelijker om het WEL te doen. Daarom ‘high-five’ ik mezelf als ik weer zonder andermans kleerscheuren voorbij een wegwerkzaamheidje ben gekomen.


Maar goed, ik ben dus in de Copyshop om business cards op te halen. Ik ben aan de beurt na een grote, gespierde man met een dikke nek, die zichzelf vacuüm getrokken heeft in een strakke spijkerbroek EN een strakke spencer. De spencer, ook alleen nog terug te vinden in ZA btw. 

Hij legt uit dat hij een plastic ding wil, waar je andere plastic dingen in kunt steken en waar dan op komt te staan: Kip, Rund, Lam. Hij wijst ook aan hoe het eruit komt te zien. Hij slaat met zijn vuist op zijn borst en maakt van daaruit een ronding alsof hij een hele dikke buik aangeeft. ‘En dan heb ik hier ook nog stickers met Kip, Rund, Lam!’ Voegt hij toe en hij legt de stickers met een klap op de toonbank.
Sjongejonge, zie je hem denken, het is nu toch wel zo duidelijk als wat!
Het meisje van de Copyshop – de hanenkam stijf rechtop en het haar dat er niet bij paste met gel rond het hoofd geplakt – probeert uit alle macht te begrijpen wat de man van haar wil. Ze gaat er bijna scheel van kijken. Het wordt er niet flatteuzer op.
De man herhaalt iets luider nu: ‘Dus zo’n plastic ding, waar je dingen in kunt steken waar KIP!, RUND!, LAM! op staat. En dan dat buikrondje weer, maar dan driftig en snel.

Ik kan het niet helpen. Maar er ontsnapt mij een duidelijk hoorbaar, ‘Hi hi.’

De man draait zijn hoofd naar mij, snuift en vraagt, ‘Vind je dat om te lachen?’ ‘Nee, nee, nee’, zeg ik. ‘Ik vind het juist HEEL interessant wat je allemaal doet. Echt HEEL interessant.’ In moeilijke situaties weet ik gelukkig altijd iets intelligents op te merken.
Hij vraagt: ‘Oja?’
Ik bedenk me dat ik werkelijk geen idee heb en dat het pure zenuwen zijn dat ik dit zei en dat ik nu wel iets geschikts moet opmerken in deze Copyshop gedomineerd door hanenkam, stierenek, kip, rund en lam.
En dan zegt iemand: ‘Hier heb je het nummer van iemand die doet in die plastic dingen.’
We kijken allemaal verbaast naar de man die verder nog niemand had zien staan. En ik bedenk me dat de verlossing altijd komt van de persoon die je eerder nooit opgevallen is. 

Listen carefully

Son B. (6) plays a sailor in “The Little Mermaid” at school and tonight is the first of four performances. We have a ticket, know his song and dance by heart, We are sitting at a table in a dreamy under- the sea setting and we listen to the introductory talk by the Head of the school.
The introduction is interrupted by annoying noises coming from somewhere behind me.

The thing is that I have extremely good hearing. So good in fact that if you were my neighbor and wearing slippers, to me, they would sound much noisier than you can imagine. Put me on a bed with layer upon layer of mattresses and I could hear the proverbial pea moving beneath them. I easily hear a sound no matter how faint.This ability is not a blessing but a burden. Let’s just say that I am the extreme opposite of deaf. I have yet to come across a situation where this auditory talent is essential.

Back to the nautical introduction. The irritating sound continues and I look back, annoyed. Who, oh who in his or her right mind makes all this noise while we are waiting for our children to perform. I seek out the culprit with the “death by glaring” look.

Falling under my scrutiny is a man with a moustache, wearing glasses and a khaki outfit. He looks at me, the corners of his mouth turned downward, the moustache consequently joins the corners and obediently turn downward as well. His khaki clad shoulders however move upward in a shrug as if to say, ‘I have no idea where the noise is coming from either, so sorry.”

This mute excuse does not appear to be totally sincere. He is probably the type of man who professes not to know how to activate a ringtone on his mobile and the next thing you know his phone rings, playing something trendy by Shakira or Madonna.

Then I overhear, not loudly but clearly however: “Smack My Bitch Up.” I have never heard it played so softly. It dawns on me that this little disturbance has more to do with me than I initially thought. How is it that this song (which, by the way, I had on my playlist as the ‘second best category’ as a distraction during my recent marathon) suddenly, as if it has a mind of its own, blares from MY phone?

The ringtone gradually gets louder and I hold my bag to my ear to ensure it is in fact my phone that is causing the commotion. Eventually I open my bag, the sound is now so loud that no-one at our table can hear the Head of the school anymore. In a total panic, I don’t switch the cursed thing off but merely close my bag again which is a futile exercise, everyone within earshot can still hear the words to my (apparently) favorite music. This is hardly the right time to begin explaining that I usually listen to completely different music, how that song came to be my ringtone and so on. I cast furtive glances about me and say, ‘Switch off you fucking stupid phone!” This is however a lost cause because my phone isn’t responsive to voice commands.

Before a repeat performance of ‘Smack My Bitch Up’ at an even greater volume and before the line “All the nice girls love a sailor” is repeated out of the mouths of innocent six year olds, I jump to my feet ducking and bending at the waist whispering the occasional “So sorry” as I try to reach the exit with the least disruption.

To my horror I find myself face to face with twenty small sailors nervously waiting for their cue to step onto the stage. The juxtaposition between them and ‘Smack My Bitch Up’ couldn’t be more pronounced.

After sorting my little mishap out I quickly make my way back into the fantasy world where the little ones put on a spectacular performance.

This performance certainly fulfills any auditory or visual needs in me. I wonder what the superlative of pride is.

Luister

Zoon B. (6) speelt een matroos in ‘De Kleine Zeemeermin’ op school en vanavond is de eerste van vier uitvoeringen. We hebben een kaartje, kennen zijn liedje en dansje van buiten, zitten aan een tafel in een dromerige onder de zeespiegel-achtige omgeving en luisteren naar het inleidende praatje van het hoofd van de school.
Het praatje wordt hinderlijk verstoord door geluidjes ergens achter me. Nu heb ik een extreem goed gehoor. Maar echt. Geef mij buren op sloffen en ze zijn luidruchtiger dan je verwacht. Leg mij op een bed met heel veel matrassen en ik hoor de erwt. Met vlag en wimpel slaag ik voor elke gehoortest. Niet dat je er ook maar iets aan hebt overigens. Doof is natuurlijk het andere uiterste, maar ik ken geen situatie waarbij alles horen pure noodzaak is.

Het geluid houdt aan en ik kijk geïrriteerd achterom. Wie o wie maakt er herrie terwijl we wachten op onze optredende kinderen. Ondanks mijn dodende blikken sterft het geluid voor geen meter.
Ik kijk nog een keer bozig achter me en daar zit een man met een bril, een klein snorretje en een kaki outfit. Hij kijkt me aan, trekt zijn mondhoeken en snor naar beneden en zijn kaki schouders op. De schouders zeggen ‘Ik weet het ook niet, sorry.’ Ik vind het niet direct geloofwaardig. Het lijkt me typisch iemand die zogenaamd niet weet hoe je je ringtone instelt en dat dan plotseling wel de nieuwste hit van Shakira door de ruimte schalt als zijn telefoon gaat. Of iets van Madonna.

En dan klinkt, niet al te luid maar duidelijk verstaanbaar: ‘Smack my bitch up.’ Zo zachtjes had ik het nog nooit gehoord. Het gevoel bekruipt me dat ik er meer mee te maken heb dan ik in eerste instantie dacht. Hoe kan het nummer dat eerst nog reserve stond in mijn halve marathon repertoire, nu ineens het talent hebben ontwikkeld zelfstandig uit mijn telefoon te knallen?
Het geluid wordt harder naarmate ik mijn tas dichter bij mijn oor breng. Als ik mijn tas open is het geluid zo hard dat onze hele tafel het hoofd van de school niet meer kan verstaan. In paniek doe ik niet mijn telefoon zachter, maar alleen mijn tas heel snel dicht, wat natuurlijk nergens op slaat. We horen allemaal nog steeds mijn blijkbaar favoriete muziek. Maar precies nu lijkt me niet het geschikte moment om uit te leggen dat ik eigenlijk altijd naar andere muziek luister etcetera. Ik kijk verontschuldigend om me heen en fluister ‘Ga uit kloteding!’ in mijn tas, tegen mijn telefoon. Maar helaas, het ligt buiten de invloedsfeer van Voicecontrol.

Voordat ‘Smack my bitch up’ luider uit mijn telefoon klinkt dan ‘All the nice girls love a sailor’ uit de monden van zesjarigen, beweeg ik me bukkend, springend en ‘Sorry!’ fluisterend door het pikkedonker richting uitgang.
En dan sta ik oog in oog met 20 zenuwachtige matrozen, die wachten tot ze ‘op’ mogen.
Het contrast tussen hen en ‘Smack my bitch up’ kan niet groter.
Dus ik snel terug het sprookje in waar kleine mensjes een prachtige show opvoeren. Ik zie, hoor en voel precies genoeg.
De overtreffende trap van trots.

At first sight

‘How old are you?’
‘OK,’ I think to myself.

‘What a rude question,’ would be an appropriate answer. Or ‘That’s a rather impertinent question!’ Or, ‘Why don’t you guess?’ But these are not at all suitable at the moment, for the question was asked by my beautician Nox. My face is carefully wrapped in gauze and covered in a very cold cream. I suspect that I resemble a mummified Easter egg, or Hannibal Lector. Maybe I should take a picture. But things that seem funny at first glance, are often not funny at all afterwards. Although, I read that someone in 2002 added (in French) to a handling label of an American-manufactured laptop: ‘We are sorry that our president is an idiot – we did not vote for him.’ It was funny, even after a while.

I keep quiet, because it’s not very easy to talk through gauze and also, imagine that Nox really feels an uncontrollable urge to guess my age. Simply because she’s always very good at it. At guessing I mean. She guesses that I’m five years older than I really am, and that I then have to tell her my true age. After that she might be so disappointed that I’m the one comforting her instead of vice versa. She cradles her snotty face in my lap and sobs ‘I’m always righ-hight, and now I can’t even do this any-mohore.’ And while her braided bouffant stings my nose, we also resume our previously talk. That she originates from a big city where she went to school and that she relocated to this village in the mountains close to work. No, it’s not a nice village at all, but returning to the big city probably won’t be easy. She’s afraid she will be stuck in this desolate village in the mountains forever where she will marry a villager (who wears only sandals and you will be confronted with those calloused heels to for the rest of you life). But I am making this up because that would be a nightmare for me. What she doesn’t want to do is marry this villager and quite frankly she isn’t really sold on this beauty salon idea either.

It’s all very sad and the question always is how to bring the conversation back to a normal, more relaxed level. To interrupt, in the midst of her misery and say, ‘OK, back to treating of my face,’ might be jumping the gun.

So I tell her my age as fast as time flies. Also I’m not all that good with snot when I’m not an arm’s length away from the Wet Wipes.

The dreaded response doesn’t come. Nox laughs very loudly when I tell her my age. She says it’s still very young and that the state of my face in relation to my age is not that bad and then she prescribes a litany of creams on a piece of paper. I do find this most inconsistent, but I keep quiet (again), because why would you ruin the initial message.

Zo op het eerste gezicht

‘Hoe oud ben je?’
Ok.

‘Wat een kutvraag’, is een passend antwoord. Of ‘Zo, lekker impertinent!’, maar dan in het Engels. Of, ‘Wat denk je?’ Maar dat is al helemaal niet zo geschikt voor het moment. Want, de vraag wordt gesteld door schoonheidsspecialiste Nox. Mijn gezicht is zorgvuldig verpakt in gaas waarna Nox er met een kwast bijzonder koude crème op heeft gesmeerd. Ik vermoed dat ik een kruising tussen een gemummificeerd paasei en Hannibal Lector verbeeld. Misschien had ik er een foto van moeten maken. Maar dingen die in eerste instantie grappig lijken, zijn dat vaak achteraf helemaal niet. Alhoewel, ik las dus dat iemand (in 2002) in het Frans aan een wasvoorschrift van een in Amerika vervaardigde laptoptas toevoegde: ‘Het spijt ons dat onze president een idioot is – wij hebben niet op hem gestemd.’ Het bleef grappig.

Ik zwijg, ook omdat het niet zo heel makkelijk praten is door gaas, maar ook, stel je voor dat Nox echt de onbedwingbare behoefte voelt om mijn leeftijd te raden. Omdat ze er nu eenmaal altijd heel goed in is. In raden. En dat ze dan voor het gemak vijf jaar bovenop mijn leeftijd raadt, waarna ik moet zeggen hoe oud ik ben. En dat zij dan zo teleurgesteld is dat ze het niet goed heeft, dat ik alsnog degene ben die haar troost in plaats van andersom. Dat ze haar snotterige gezicht in mijn schoot legt en met van die hele lange uithalen zegt, ‘Ik heb het altijd goehoed, zie je wel ook dit lukt me al niet meerheer.’ En dat we dan, terwijl haar ingevlochten haarstuktoren prikt in mijn neus, in één moeite ook het eerder gevoerde gesprek herhalen. Dat ze uit de grote stad komt waar ze naar school ging en dat ze nu in een dorp in de bergen vlakbij haar werk woont. En nee, dat is helemaal geen leuk dorp. En terugkeren naar de stad zal ook wel niet lukken. Ze zal wel voor altijd vastzitten in dit troosteloze dorp in de bergen waar ze met een dorpeling (op sandalen en dat je dan steeds tegen die eeltige hielen aan zit te koekeloeren, maar dit verzin ik er nu ter plekke bij want dat lijkt mij dan weer niet te doen) zal trouwen wat ze eigenlijk ook niet wil en eerlijk gezegd heeft ze ook niks met de crème-business enzo.

Het wordt wel een heel neerslachtig geheel en de vraag is ook altijd hoe breng je weer wat lucht in het gesprek. Om na deze stortvloed van ellende te zeggen, ‘Maar even terug naar de status van mijn gezicht hè.’ Dat is misschien een ietwat te grote sprong.

Dus ik zeg zo snel als de tijd vliegt mijn leeftijd. Ook omdat ik niet zo goed ben met snot als ik niet een armlengte van de natte billendoekjes verwijderd ben.

De gevreesde reactie blijft uit. Nox lacht heel hard en dat het nog heel jong is en dat het ook allemaal wel meevalt wat betreft de toestand van mijn hoofd in relatie tot mijn leeftijd en daarna schrijft ze een waslijst aan crèmes op een papiertje. Wat ik best tegenstrijdig vind, maar ik zeg niks. Want waarom zou je de initiële boodschap verpesten.