Monthly Archives: June 2012

Onderhuids

De bulten op mijn hoofd gaan niet weg. En op een gegeven moment ga je dan toch aan andere oorzaken dan voodoo denken. Ik wel althans. Dus ik dacht, het zal het lot wel zijn. Maar dat kon eigenlijk al helemaal niet, want ik win namelijk nooit iets.

En zo beland ik bij de dermatoloog.

In de wachtkamer staan heel veel stoelen. Maar echt 20 of zo. En alle stoelen zijn leeg. De assistente zegt, “Ga maar ergens zitten”. Dat is een hele moeilijk vraag terwijl we nog niet eens echt zijn begonnen zeg maar. 
Dus ik stel voor, “Op deze?”

En het is goed. Het is een stoel achter een paal. Het is de enige stoel waardoor ik de assistente niet meer kan zien en steeds om de paal heen moet kijken als ze iets vraagt. Soms doe je onverklaarbare dingen.


Dan mag ik naar binnen.

In de kamer van de dermatoloog staan stoelen die een slag groter zijn dan in de wachtkamer. Ik zak er tot mijn middel in weg, maar dat maakt niet uit verder, want ik ben hier tenslotte voor mijn gezicht, als hij dat maar kan zien. De dermatoloog zakt weg in zijn stoel en we hebben een soort letterlijke tête a tête, slechts gescheiden door zijn enorme bureau.



“Zo. Waar heb je last van?” De dermatoloog (niet ik natuurlijk, dat zou heel raar zijn hè).

Ik slik het van die voodoo even in en zeg iets over bulten.

“Hummum”, zegt de Dermatoloog en vraagt dan:

“Heb je ook schilfers in je oren, in je wenkbrauwen en rondom je neus?”

“Gadverdamme!” Roep ik. 
En ik bedenk me dat dermatoloog me een rampzalig beroep lijkt en ik ben blij dat ik niet heb doorgeleerd. Ook al was rechten dan op zich sowieso niet de juiste voorstudie, maar toch.

“Niet dus. Laten we maar even kijken dan.” Zegt de dermatoloog.

“Je hebt er aan gezeten hè?” Merkt hij op.

Nou dat begint al lekker denk ik.

“Uhm, is dat relevant?” Gooi ik in de strijd. Mijn ontkennende natuur steekt blijkbaar zelfs de kop op als een dermatoloog op één centimeter afstand mijn hoofd met een loep staat te inspecteren.
“Tja, dat maakt het wel lastiger om te onderzoeken,” zegt hij bijna verwijtend.

“OK, nou sorry dan.” Zeg ik. En ik zwelg alvast in een paniekerig soort zelfmedelijden omdat ik nu de rest van mijn leven als een pad door het leven zal gaan.

Daarna lepelt hij zonder hapering de diagnose op. Wat ik heel tegenstrijdig vind, want kon hij het nu wel of niet zien en als van niet, klopt de diagnose dan wel? Maar ik ben te opgelucht om er hardop iets van te vinden.

Dan drukt hij op een belletje en daar is de assistente weer.

“Ja, zij heeft dus ook die bijwerkingen van die ene crème weet je wel en daarmee ontwikkelt ook zij dus een soort acne en we beginnen dan ook gelijk met lichttherapie.”

Dan kijken ze naar mij, dan naar elkaar en dan lachen ze allebei.

Ik begrijp niet wat er te lachen valt, maar het zal wel typische dermatologen humor zijn.

Ik verdwijn voor 20 minuten onder een hele felle lamp en terwijl ik me afvraag of al die warmte juist niet zorgt voor het groeien van dingen – biggetjes leggen ze immers ook onder een warme lamp – bedenk ik me dat ik dan dus straks EN een beugel (ander verhaal btw) EN mogelijk nog steeds acne heb. Ik word er soortement van opstandig van. Het is zinloos natuurlijk, maar het past allemaal precies bij dezelfde levensfase.

Geloof je het zelf?

We zitten alle drie op een eigen bank in het huis van de potentiele website bouwer. ‘We’ zijn de website bouwer met smalle voeten en groot lijf, partner A. en ik. En achter een hekje zitten ook nog drie kwijlende honden.
“Nou, ik maak dus worst, want wat moet je anders als blanke man in Zuid-Afrika, een baan krijg je toch niet hè.”  Zegt de website bouwer om in een adem door te ratelen over de potjes crème die hij vult voor zijn vrouw die schoonheidsspecialist is.

Wij knikken begrijpend.

Ik zie het hem wel doen namelijk. Met een soeplepel de crème uit een emmer in een trechter scheppen en vervolgens hele kleine potjes vullen met het biologische mengseltje. En dan afwisselend worst draaien en die potjes vullen tot je van gekkigheid niet meer weet wat je doet en een worst in een potje staat te proppen en dat je dan denkt ‘Hee, anders ga ik ook nog websites bouwen.’

De laatste keer dat ik iemand iets met een lepel en een emmer zag doen, was lang geleden. Ik was 15 en het betrof: het scheppen van huzarensalade uit een emmer die vervolgens op borden werd gekwakt. En niemand werd er vrolijk van en mijn beste vriendin moest er van overgeven. Maar dat kon ook komen doordat we allemaal teveel hadden gegeten en/of teveel zelfgemaakte wijn hadden gedronken.

Anyway. Hij had dus wel wat websites gemaakt en die zou hij ons wel eens even laten zien! Dus we lopen achter hem aan naar een ander kamertje. Het valt me op dat hij heel gewoon loopt voor iemand met een vrij groot postuur en kleine smalle voeten. Of hij werkelijk stabiel is heb ik niet getest. Even per ongeluk een klein duwtje geven voor mijn eigen gemoedsrust lijkt me ongepast en bovendien, die honden achter dat hekje in de woonkamer, het blijft toch Afrika.

In het kamertje staan diverse opgevoerde computers. We zien wat websites, we vinden ze lelijk, we zeggen het niet, we stellen een paar geïnteresseerde vragen en vragen dan meer voor de vorm, maar wat moet je:

“Stel hè, we denken natuurlijk van niet, maar stel dat we onze website door iemand anders willen laten onderhouden, kan dat dan?”

“When you’re treating me nice, I won’t charge you.” Zegt de websitebouwer.

Dat is heel creepy ineens. Zeker in combinatie met die honden en dat kamertje met twee vrouwen en een mogelijk instabiele man op slippers en veel computers.

“Nou bedankt het was reuze interessant allemaal.” Zeg ik daarom snel ter afronding en we stappen allebei in onze eigen grote witte auto wat we heel gênant vinden. Dus daar hebben we het later over.

A: “Dat was echt gênant hè?”

Ik: “Ja, dat was echt gênant.”

A: “Maar wel lelijke websites hè?”

Ik: “Ja, zeker en we konden er ook niks aan doen, van die auto’s want we moesten er toch heen immers en het was ook een behoorlijke engerd.” En ik zucht opgelucht, want het lag toch niet aan ons.

Dus we hebben de website man niet gekozen en we zeiden, ‘Sorry toch ietwat te duur’, want dat leek ons wel objectief.

Spontaan kreeg ik een dag of een week later ik weet het niet meer precies, de tijd gaat zo verdomde snel ook, bulten in mijn gezicht. Er waren verder geen aanwijsbare redenen dus ik verdenk de websiteman van voodoo. Voorhoofdsvoodoo. Ik had er zelf ook nog nooit van gehoord, tot nu dan tenminste.

Maar goed, ik geloofde het toch niet helemaal, de websiteman en voodoo daar had hij heus geen tijd voor naast zijn crème business en zijn worst. Dus ik bedacht me dat het natuurlijk net zo goed de boze buurvrouw kan zijn die mijn hoofd zit te bewerken. Ja natuurlijk, dat klinkt eigenlijk een stuk geloofwaardiger.

Ik kwam, ik zag en ik zei niets

“Sorry, ja, echt heel erg sorry, maar ik ga jullie eraf gooien want ik heb deze baan gereserveerd. Vanochtend heb ik gebeld, om 8.00 uur al, precies zoals het hoort. Dus ja. Jij kunt ook reserveren hoor, misschien moet je dat de volgende keer doen?”
Het te korte rokje voor haar potige pootjes EN leeftijd zwiept heen en weer terwijl ze met stevige pasjes de tennisbaan oploopt. Alsof ze haar woorden kracht bij wil zetten stuitert ze de bal op de grond.

Dan zegt ze, “En ik kan het weten, hoe het hoort, want ik zit in de tenniscommissie” en gewichtig mikt ze de bal over het net. Hard. Haar partner is er net op tijd bij om hem terug te kaatsen. Hij wel.

Ik open mijn mond en ik doe hem weer dicht, want ik weet even niet wat ik met de situatie moet. Ik had het ook nog niet eerder gehoord, opscheppen over je plek in een tenniscommissie. Laat staan van deze club met vier tennisbanen, twee krakkemikkige kleedkamertjes en steeds dezelfde clubkampioen, dat principe.

Los daarvan, de tennisbaan is door niemand gereserveerd en dat kan ik weten want ik heb het zojuist gevraagd. Het was ook echt weloverwogen gelieg, niet om bestwil of eentje die per ongeluk uit je mond floept.

“Sorry dat ik te laat ben, maar mijn man had de Tom Tom meegenomen, dus die moest ik eerst ophalen”, zeg ik en ik kijk de tandartsassistente samenzweerderig aan. Zo van wij vrouwen weten dat mannen waardeloos zijn. De assistente reageert: “Te laat, te laat?” En ze kijkt op het papiertje voor zich. “Je bent juist veel te vroeg!” En zo zat ik een UUR te wachten met een niet samenzweerderige assistente en het was pas 8 uur en ik had mijn eerste leugen er al op zitten.

Anyway, mijn drie kinderen en ik druipen af, racket tussen onze benen en ik vraag achteloos aan de jongen achter het barretje: “Goh, er had toch niemand gereserveerd op baan 4?”

De jongen kijkt ook op velletjes papier voor zich.

“Nee, maar ze zit in de commissie en ze is de clubkampioen en ze speelt zaterdag de finale. Tegen een meisje van 15.”
En hij kijkt me aan met een blik dat ik het nu allemaal wel zal begrijpen nietwaar?
“Al was ze de koningin”, zeg ik en ik voel me precies mijn moeder.

Daarna denk ik ‘sjongejonge zeg’. Ik zeg dat vaak tegenwoordig. Misschien komt het doordat ik eerst altijd ‘kut’ zei, maar ik heb dus ontdekt dat als je heel hard ‘sjongejonge!’, zegt dat best hetzelfde effect heeft. Dat ik het nu ook denk is wel nieuw overigens.

Daarna snuif ik en denk aan het uitspreken van het volgende vonnis:

‘Hey jij gedrongen klein opsodemietertje! Ja jij met je racket. Nou moet je eens even goed luisteren. Als je echt goed had kunnen tennissen stond je nu wel op Roland Garros. Of je had er gestaan, want als ik een inschatting mag maken van je leeftijd liggen die eventuele glorieuze jaren toch ook al eventjes achter je nietwaar? Hoe dan ook. Ten eerste heb je niet gereserveerd en dat is nog niet het ergste, want je liegt erover. En liegen? Wil je dat misschien even aan mijn kinderen uitleggen?’

Ik kijk nog eens naar de potige pootjes, het driftige gedribbel en het gestruggle om te winnen van het 15-jarige meisje en ik zeg niets. Want ik bedenk me dat mensen die op hun hoogtepunt stoppen eigenlijk al te ver heen zijn. Stoppen moet je vooral doen voordat je jezelf te serieus neemt en onsterfelijk belachelijk maakt.