Monthly Archives: August 2012

Strijdlustig

‘Ik ben de beroerdste niet’ moest het worden. Ik dacht na over een nieuwe slogan voor moi. Het mocht ook een motto zijn. God weet waarom. Misschien om grip te krijgen op mezelf of misschien had ik gewoon cheerleader moeten worden in een eerder leven of  toen ik de leeftijd er voor had. Of bij de majorette! Witte laarsjes en een blauw pakje, mooi dat ik er niet bij mocht.
Goed, ik ben de beroerdste niet. De slogan van de dag. Van de week! Of misschien wel gelijk van mijn leven. Je kunt het altijd gebruiken. Alhoewel ik ook gelijk dacht, wat betekent het nu echt, deze tekst? Er zijn dus beroerdere mensen en tegelijkertijd minder niet beroerde mensen. Misschien moet je ook niet overal over nadenken. Als je kikkerbillen eet denk je ook niet aan het maag-darmkanaal dat je mee verslindt tenslotte. Nou ja, vanaf nu dus wel, maar waarom zou je ze überhaupt eten. Het is net kip, maar dan extreem klein.


De eerste activiteit van de dag met het nieuwe motto was: naar de tandarts gaan. De tandarts, klein gedrongen, gespierd (lees hier meer over mijn eigenste tanden fee) etc. was er nog niet.

“Hij is er nog niet.” De assistente.

“Ok” zei ik, “geeft niet”.  Het gaf wel, maarrrr ik ben de beroerdste dus niet.

De assistente vroeg: “Waarom ben je hier eigenlijk?”

Ik keek haar een beetje hulpeloos aan. Ik vond het een vraag voor de jury van Idols. Zo’n vraag waarvan de moed je gelijk in je schoenen zakt. Dat je stem niet meer bij je dansje en je outfit en OH GOD dat je gruwelijk afgaat terwijl de camera op volle toeren inzoomt. Gelukkig was ik bij de tandarts.

De assistente keek hulpeloos terug, maar dat deed ze altijd wel eigenlijk. Het is de tandartsassistente look. Altijd klaar om ‘Ja sorry, ik lette even niet goed op/ ik heb mijn dag niet/ mijn man heeft me verlaten, te zeggen als ze ineens iets onhandigs doet met een dingetje met een haakje. In je wang!

Ik zei, “Ik kom op controle.”

“Hoezo?” Vroeg de assistente.

Ik wilde een hulplijntje inzetten. Dat had ik bij de orthodontist ook gedaan toen hij vroeg: “Zullen we het beugeltje er gelijk maar inzetten dan?”

“Ik ga even mijn man bellen om te overleggen.” Antwoordde ik en ik sprong zo hup van de stoel. Nou ja zo hup vanuit liggende positie ook weer niet. Ik hopte eerste met mijn billen op de stoel en gleed er zo’n beetje half van af. Het werd een nogal lullig geheel voor iets dat soepel en eigengereid bedoeld was.

De orthodontist liet ik beteuterd achter op zijn penny loafers. Tandartsen en de conservatieve kleding keuze. Je vraagt je soms af of ze wel eens buiten hun witte geglazuurde imperium komen, of dat ze verder echt geen idee hebben wat er verder in de wereld gebeurt en dat ze dan op een dag de Albert Heijn binnen wandelen en al dat snoep zien en dat ineens de puzzelstukjes van al die gaatjes op hun plek vallen. Mijn tandarts komt nog wel eens ergens btw. Hij zwaaide naar me in de sportschool. Ik zwaaide niet terug en keek hem een beetje bozig aan, want ik dacht ‘Wat wil dat rare kleine mannetje van me.’ Sommige mensen herken je maar in één setting.

Ik zei tegen de assistente, “Ik kom op halfjaarlijkse controle. Dat doe ik zo ongeveer elk half jaar en dat is nu.”

“Jaarlijks doen wij dat hier”, zei ze.

“Nou, dat zal dan wel, maar ik kom uit Nederland en daar doen we het elk half jaar en bovendien heb ik een gaatje denk ik, dus ik ga hier alvast even liggen.” En ik klom gedecideerd in de stoel. “Oh, ik hoef geen verdoving hoor, want ik heb ook drie kinderen gebaard.” Dat laatste sloeg echt nergens op want ik wil altijd een verdoving, maar voor het overige verbaasde ik me over mijn eigen daadkracht en bedacht me dat ik hoognodig mijn motto aan moest passen.

Genaaid

De lucht was blauw, op wat sluierbewolking na tenminste. Het gaf niet, want het was nog steeds OK met zon. Dus ik staarde ernaar en een split-second was ik een met de natuur. Of zoiets. En toen vond ik de bijna doorzichtige bewolking plotseling op van die schimmel lijken die je soms op aardbeien en zo terug vindt als je ze te lang hebt bewaard. Of als je ze na een week of drie onder een autostoel vandaan tovert.

Ik zei het hardop. Joost reageerde: “Natuurlijk schatje, wat een fijne gedachte weer, gelukkig is het niet echt.”

Ik zei niks. Want ik wilde ook wel dat ik er iets normaals als een biggetje in had gezien of een reus, maar het was gewoon niet zo.

Het lag aan de week misschien. Een dag eerder was ik nog bij de mevrouw die naar eigen zeggen ook dekens en slaapzakjes voor ons kon maken. Partner A. en ik deden een vergelijkend warenonderzoek. Naast onze huidige naaister wilden we ook eens testen hoe iemand anders het zou doen.

We ontmoetten de vrouw voor de eerste keer in een koffietentje. Het was een onrustige mevrouw met eczeem in haar oren. Ik wilde er niet naar kijken, maar ik zat naast haar en ik deed het toch. En weer en weer. Ik dacht ‘En nou kappen anders word je nog misselijk’, maar ik kon niet stoppen. Ik moest  ook denken aan mijn dermatoloog met z’n collectie schimmels in zijn bureaula en hoe perfect ze zouden matchen en ik hoefde ineens helemaal niks meer te drinken.

De mevrouw had geen schriftje waarin ze dingen noteerde, ze zei wel steeds ‘Ja natuurlijk, kan ik’ op eigenlijk alles wat we vroegen. Ze dronk haar koffie op, verzekerde dat ze ons patroon zelfs bij kon schaven (schaven, schilfers, ik dacht dat ik gek werd) en dat was dat. Ik vertrouwde haar voor geen meter. Dat heb je soms. Het kwam denk ik niet door het eczeem. Alhoewel ik wel vrij sterk ben in het leggen van dit soort verbanden.

En toen begon het grote wachten. We konden eerst niet komen omdat de spullen bij iemand anders lagen. Toen konden we niet komen omdat ze een ooginfectie had. Wat ik wel extra vies vond, maar ik bleef stug geen verbanden leggen. En toen konden we komen.

We liepen het huis, annex atelier, annex grootmoeders verblijf binnen en daar troffen we de vrouw (en een zooitje andere mensen) aan die heel druk iets glad aan het strijken was met haar handen. Het leek verdacht veel op stof die wij haar hadden geleverd.

En toen hield ze het brouwsel omhoog. Haar verwoede pogingen het tot een glad geheel te strijken: compleet zinloos. Het zag eruit alsof ze haar eerste poging ‘blind naaien’ op ons ontwerp had losgelaten. Misschien had ze dat ook wel gedaan omdat haar ogen volledig dicht gekoekt hadden gezeten.

Ze zei: “Nou, wat vinden jullie ervan?” Dus ze verwachtte ook nog zoiets als een serieuze reactie.

Ik zei: “Oei jeetje” en sloeg mijn handen voor mijn mond. Partly reflex, partly om mezelf te behoeden voor het grovere geschut.

Vervolgens zei ik: “Ik schrik hier wel van.” Mijn gevoel voor drama is best ontwikkeld.

De vrouw keek ons aan, we zagen (voor de verandering) stoom uit haar oren komen en toen zei ze:

“Ik wist het, jullie voelen je gewoon beter dan mij.”

Er waren wel duizend reacties mogelijk, maar ik wilde het liefst snel weg voordat ze als straf haar ogen met onze stof zou deppen. Of iets anders smerigs. Dus we pakten onze spullen bij elkaar en sprongen in de auto. Ik staarde uit het raampje en zei tegen A: “Alles leuk en aardig, maar we doen voorlopig geen zaken meer met iemand met eczeem oren.”

In de ban van

Ik ga voor de zevende keer naar de dermatoloog om onder een felle lamp te liggen ter bevordering van het herstel van mijn acne huid in wording (of zoiets, lees hierhoe het ook alweer zat).

“En dit is dan de zesde keer”, zegt de dermatoloog assistente.

“Nee hoor de zevende”, zeg ik.

“Nee, de zesde” en de dermatoloog assistente bladert terug in haar schriftje.

“Nee, de zevende”, zucht ik terwijl ik met mijn ellenbogen op de balie zak zoals je op de plaatselijke bar hangt, want het kon nog wel eens lang gaan duren voordat ik mijn gelijk zou krijgen. En ik zou het krijgen. Ik sta zelf ook nogal te kijken van mijn winnaars mentaliteit, maar het zal wel komen door de Olympische Spelen. Ik beweeg me in een constante Ippon zoektocht door het land. Aanvankelijk dacht ik dat ik in de dubbele flikflak modus zat, maar toen ik dat liet vallen merkte Boris (6) op dat ik daar toch echt niet dun genoeg voor ben. En ook niet klein genoeg overigens.



De assistente heeft het door want ze geeft op en zegt, “Oh ok dan, maakt ook niet uit verder. Nou je weet waar het is inmiddels.”

Dus ik loop langs de balie, werp zelf sportief de verschillende deuren open en ga liggen. De assistente wacht best lang, revanche vermoed ik, en komt dan alsnog binnen. Ze legt eerst watjes op mijn ogen, vervolgens doet ze er een bril overheen, dan schuift ze de felle lamp boven mijn gezicht en doet een soort dolfijnen muziek aan. Natuurlijk geen muziek spelende dolfijnen. Alhoewel ik dat natuurlijk niet zeker weet. Er zit geen filmpje bij en als wel, dan kan ik het toch niet zien.

En dan kondigt de assistente aan dat ze weg gaat en zo weer terug komt (voor de zevende keer).

“Zo, hoe gaat het?” De assistente.

Goed! Schreeuw ik. Het komt doordat ik toch soort van ingedut ben onder die warme lamp, onder begeleiding van die dolfijnen. En om het betrapte gevoel op te heffen reageer ik heel alert. Althans, dat denk je.

Terwijl ik nog aan het normaliseren ben, hoor ik ineens ‘Hallo mevrouw Lebens’.  

Staat de dermatoloog ook ineens aan mijn zijde. Of aan het voeteneind, of beleefd in de deuropening. Ik heb geen idee want ik lig nog steeds onder die lamp en zie niks.

“Hoi dermatoloog” zeg ik. Maar echt hè, ‘hoi dermatoloog’, hoe krijg je het voor elkaar. Maar in het echt heet hij ook iets onuitspreekbaars en ik voel me ineens heel naakt met al mijn kleren aan.

“Heb je zo nog even tijd?”, vraag ik om toch nog iets van deze ongemakkelijke situatie te maken en omdat ik denk dat ik weet waarom ik hier lig.

“Ja”, zegt hij.

“Top! Nou tot zo dan hè.”

Twee tellen later loop ik zijn kamer binnen. Ik weiger opnieuw tot over mijn oren weg te zakken in een van zijn enorme fauteuils, dus ik blijf staan (Ha!) en steek van wal.

“Ik denk dus dat sulfietintolerantie de oorzaak van alles is”, zeg ik.

“Kan niet”. De dermatoloog.

“Kan wel.” Zeg ik.

“Nope.” Zegt hij ietwat populair ineens.

 “Welles” reageer ik spiegelend. Ik heb het zelf gelezen. Op het internet.

“Aha, ben je er zo één”, zegt de dermatoloog.

En dan vraagt hij: “Heb je ook schilfers in je oren en in je wenkbrauwen…”

Ik onderbreek hem en zeg, “Nou wordt ‘ie helemaal mooi, begin je daar nou weer over?”

Ik krijg het gevoel dat de dermatoloog vooral gespecialiseerd is in schilfers, misschien, als ik ja zeg tovert hij een doosje uit een la met allemaal verschillende. Of misschien is hij wel gewoon doof. OF hij wil gewoon het schermen zien. Maar dat heeft weinig zin, want dat wordt ‘s avonds uitgezonden. Hoe dan ook, ik ben toch teleurgesteld. Een stemmetje (in mijn hoofd, don’t ask) heeft van te voren al voorspeld dat het geen zin heeft met deze dermatoloog. Maar in deze tijden – beste mensen – verwacht je gewoon een miracle. Immers, niemand verwachtte iets van de Zuid-Afrikaanse roeiers en die pakten toch ook mooi het goud.