Monthly Archives: October 2012

Het komt wel goed. Schatje

En toen glipte mijn favoriete parfum uit mijn handen. Het raasde naar beneden en ik zag het machteloos gaan en dacht, het is dik glas, het is dik glas, het is echt best wel dik glas. EN? Nou, het splashte natuurlijk kapot op de tegels. ‘Wat had je dan in godsnaam verwacht?’ Zei ik tegen mezelf. Ik zei het door mijn tanden en mijn beugel heen, ving dat beeld in de spiegel en het zag eruit alsof ik elk moment op moest in een Free Fight. En ik dacht ook, misschien zie ik er wel gewoon altijd zo uit als ik niet in de spiegel kijk met mijn spiegelhoofd. Ik vond het zeker beangstigend, om te huilen zelfs, maar ik deed het niet.

In plaats daarvan riep ik: “Oh nee, oh nee, oh nee!”

Joost (op afstand): “Wat is er?!”

Ik: “Oh nee, oh nee, oh nee!”

J: “Wat IS er.”

Ik: “Ja kom dan ook hierheen, ik zeg toch ‘oh nee oh nee oh nee’ of niet dan?!”

Snelle voetstappen (J)

“Kijk dan wat er is gebeurd en ik kan het hier vast niet kopen en ik HAAT tegels.” Zo jammerde ik.

J: “Wat had je dan op de badkamervloer gewild, tapijt?” Grinnikt.

Hoe kan het toch, dacht ik, dat mannen ofwel DI RECT een oplossing aandragen (zo had het me niks verbaasd als J. stante pede een klein plastic bakje had gehaald waar ik dan wellicht nog wat druppels in had kunnen schuiven) ofwel iets zeggen dat TO TAAL niet relevant is. Terwijl, je wil gewoon je verhaal kwijt en zoiets van ‘Het komt wel goed, schatje.’

Maar zo zit de man niet in elkaar. Zo was ik daags ervoor nog in de iFix winkel. De MacBook was in coma geraakt na een overdosis limonadesiroop. De oude laptop waar de kinderen vooral gebruik van maken, maar desalniettemin een drama van de eerste categorie. De oppas had eventjes niet zo goed opgelet en toen was de beker omgevallen en er waren (niet meer, nee zeker niet meer hoor) twee theelepels limonade in de laptop verdwenen. 

Op verschillende fora las ik over wat te doen. Zoals DIRECT je computer uitzetten. Laten we nou net voor de derde keer geprobeerd hebben, of hij het niet toch misschien deed. De volgende tip was openmaken en met pure alcohol de verschillende onderdelen schoonmaken.

Dus ik riep naar J: “Schroevendraaier!” Op z’n Grey’s Anatomy’s.

J. (op zijn beurt jammerend): “Kan niet, mag niet.”

Ik: “Van wie niet?”

J: “Van Steve Jobs, Apples zijn niet gemaakt om open te maken.”

Niet onder de indruk griste ik het schroevendraaiertje uit zijn handen en racete met computer en schroevendraaier naar de slaapkamer, gooide de deur dicht en riep: “Komt wel goed schatje!’

Het schroevendraaiertje paste niet. Het ene schroefje was te groot, het ander net te klein, dus ik haalde teleurgesteld alleen de batterij eruit.

En zo toog ik even later toch naar de iFix winkel. Er zaten twee meisjes onderuitgezakt achter een balie en achter de balie was een deur en vanachter die deur kwam hele harde housemuziek. We moesten vrij hard praten.

“Hoe gaat het!” De meisjes.

“Slecht, vooral met mijn computer!” Ik.

“Nevash!” Riepen de meisjes.

En toen kwam achter de deur een enorme Indiër tevoorschijn.

Hij pakte mijn computer ook vast en gaf er een rukje aan. Maar ik hield hem stevig vast en smeekte: “Alles staat erop hè, kinderfoto’s enzo!” (Nog altijd hard).

“Ja, dat begrijp ik,” zuchtte Nevash en rukte de computer krachtig uit mijn handen om ermee in het househol te verdwijnen.

Direct na opname van mijn computer kreeg ik een soort filosofisch mailtje van iFix. Met dat ik me nu moest overgeven aan de technische mensen, rustig achterover moest leunen en dan hoorde ik er snel weer van. Groot contrast met de housemuziek, maar desalniettemin toch een soort Appleiaans ’Het komt wel goed schatje.’ 

Oh God!

Er kwam een kleine mevrouw op me af gestiefeld. Ze had een op zeker zelf gehaakte shawl omgeslagen. Heus niet gek handwerken, lekker Zen op het getik van je eigen naalden volledig in een flow geraken (alhoewel het eindproduct ‘enorme bordeauxrode cape’ toch enigszins obsessief aandoet). Ik had de mevrouw uit mijn ooghoek zien uitpakken. Het ene zelf gehaakte eierdopje na het andere kwam tevoorschijn en werd zorgvuldig in de marktkraam uitgestald. De mevrouw beende in de tussentijd door in de richting van mijn kraam. Het was 7.30 am, ik had op zich geen zin in die mevrouw en straalde (er was nog geen kip of course) één en al drukte uit. Zo dook ik ineens, vrij behendig overigens, onder de kraam en acteerde iets met mijn slaapzakken en papieren tasjes.


“Hoi.” Zei ze.

“Oh hoi, jeetje, ik had je niet aan zien komen, ik schrik ervan!” Giechelde ik terwijl ik opgewekt opsprong, mijn hoofd stootte (GVD!) en ik KAN helemaal niet liegen, dus ik kreeg het er ook nog eens bloedheet van en het was dus pas 7.32 am. Inmiddels dan hè, de tijd racet gewoon door, alleen al daarvan krijg je het Spaans benauwd zo nu en dan – over de kinderen die groot worden en ik zo oud – althans ik wel.

“Hoe is het?” Vroeg ik gelijk maar.

“Ja goed. Ik ben hier met mijn moeder.” Zei ze terwijl ze haar moeder aanwees, kon niet missen zelfde cape. “Ik ben eigenlijk fotograaf, dus mijn moeder moet dit van me overnemen op den duur. Want ja, weet je, ik kan niet altijd op de markt blijven staan.” En ze trok verontschuldigend haar schouders op.

“Natuurlijk niet.” Zei ik.  En dat vond ik ook echt. Voor mezelf (dat je jezelf ineens in een soort forward flash ziet als je 80 bent en dan nog steeds dingetjes op de markt verkoopt met je lippenstift hoger dan je bovenlip), maar zeker voor haar met al die troep.

“Ik organiseer in december een kerstmarkt.” Zei ze toen.

“Ok?” Ik.

“Ja, wil je een kraam? Het is in de kerk. Nou ja het is niet echt een kerk, want wij horen eigenlijk nergens bij, maar we geloven wel. Het is allemaal heel relaxt!” Zei ze ineens heel hard, dus dan moest het wel zo zijn. “We komen elke week bij elkaar, maar dan in het bowlingcentrum. Daar is de kerstmarkt ook.”

Ik moest dit even laten bezinken en het zonk en het zonk EN HET ZONK en ik kon alleen maar denken aan de orthodontist van wie ik altijd een soort mini pijpenraggers krijg om mijn beugel schoon te houden. De assistente zegt dan altijd “Oh je bedoelt de kerstbomen, hihihi”. ALTIJD. De orthodontist zelf is ook al zo grappig. Toen hij mijn beugel plaatste, wrong hij voor de nodige handelingsvrijheid een gevaarte in mijn mond en kondigde dat aan met “Let’s spread the lips” en dat herhaalde hij nog drie keer dus grinnikte ik UITEINDELIJK, want dan hadden we dat tenminste maar gehad. Toen hij het voor de vierde keer zei, zei ik ‘Oh, hut up!’ want ik had dat ding natuurlijk nog steeds in mijn mond.

Maar goed, niet dat ik deze kerstgedachte met de wel/niet christelijke whatsoever mevrouw kon delen, want dat was natuurlijk niet gepast en dan zou ze naar haar moeder rennen en klikken, gedoe. Bovendien was ik hier om te verkopen, dus in godsnaam hoe kon ik slaapzakjes en de bowlingbaan soepel aan elkaar verbinden, maar uiteindelijk kon ik alleen “Okeeee” uitbrengen en ik knikte. Omdat ik het natuurlijk begreep dat zij en haar moeder elke week in het plaatselijke bowlingcentrum rondom de steengrilplaat, de bowlingschoenen vroom onder tafel gekruist, ergens in geloofden en toch nergens bij hoorden. 

Toverspreuk

‘Heilige Antonius lieve vrind, zorg dat ik mijn autosleutels vind.’
Ik hoor het mezelf zeggen. Alhoewel, smeken dekt de lading misschien beter. Het is een recept van zo lang met iemand zijn dat je diens ‘dingetjes’ over gaat nemen, een ultimum remedium en een beetje pure paniek van mezelf. Ik ben mijn reservesleutels al een tijdje kwijt. Eerst dacht ik ‘Ze liggen vast wel ergens en dan heb ik ze straks ineens weer.’ Maar wat ik ook wachtte, er gebeurde niets. Toen begon ik te zoeken. Niks. In het volgende stadium begon Joost mee te zoeken. Onder lichte dwang, maar soms is dat nu eenmaal nodig. Het werd steeds iets minder gezellig en het brengt ook niet mijn welbespraakte kant naar boven, als ik iets kwijt ben. Ik zou eerder zeggen dat mijn primitieve kant mooi wordt uitgelicht. Je leeft als het ware om te zoeken, al het andere vitale wordt (zoals bij een open hartoperatie, ik noem een dwarsstraat) op een laag pitje gezet om je volledig te kunnen focussen op vinden.

J: ‘Waarom berg je je sleutels dan ook niet op een vaste plek op.’

Ik: ‘Weet ik veel.’

J: ‘Weet je nog wanneer je ze voor het laatst had?’

Ik: ‘Weet ik veel.’

J: ‘Waarom weet je dat niet meer?’

En toen stampte ik naar de slaapkamer. Het gestamp was ook primitief, het luchtte best wel op, maar verder leidde het natuurlijk nergens toe. Niet dat de autosleutelfee de sleutels ineens onder mijn kussen had gelegd. Dat zou trouwens – denk ik tenminste – alleen werken als ik dan eerst een auto onder mijn kussen zou leggen dus wat schiet je ermee op. Bovendien lig je wel vrij hoog op een auto en je merkt het natuurlijk direct als de tandenfee de auto inwisselt voor een sleutel. De fee ergert zich dan vast kapot en legt voor straf je sleutel niet weg. Heb je geen sleutel en geen auto meer.


Het volgende stadium in de sleutelzoekerij was navraag doen. En zo stond ik weer bij Snow White (de baas van de parkeerwachters lees hier meer over SW) op de stoep. Naja, op het parkeerterrein dan. Hij was in het bezit van oortjes en een microfoontje en ging verheugd direct als een detective aan de slag.  In het microfoontje fluisterde hij ‘Hebben jullie een autosleutel gevonden?’ Toen hoorde hij blijkbaar iets positiefs want hij vroeg mij ‘Wat voor auto?’

Ik zei toen ‘Een Toyota’, wat waar was EN waar ik gelijk spijt van had want je weet het nooit hier in Afrika. Maar hij fluisterde het alweer in zijn microfoontje en toen had hij goed nieuws. ‘Nou, het lijkt erop dat ze iets hebben gevonden hoor!’ Zei Snow White opgetogen. En zo sjouwde ik de drie kinderen drie trappen af om ergens achter een deur, in een kantoor met heel veel mensen te horen dat ze daar helemaal geen contact met Snow White hadden gehad. Wat ik ook wel had kunnen weten, maar als je iets zoekt wil je het vinden en kijk je op de meest rare plekken. Ik heb nog nooit iets terug gevonden op een rare plek. Wel op plekken waarvan ik dan uitroep ‘Oh ja, zie je wel, ik had ze veilig in dit doosje in die la helemaal achter in die kast opgeborgen!’ Maar goed. Uiteindelijk keerde ik onvoldaan huiswaarts.


‘Nou, dan moeten we maar een nieuwe kopen.’ Opperde Joost.

Het leek me een goed plan.

‘Dat is dan 170 euro mevrouwtje.’ Zei de Toyota dealer.

Wat?! Zei (riep) ik (vol ongeloof).

En zo begon het dus, het echte zoeken en toen kwam ook die Heilige Antonius om de hoek kijken. Waar je 10 jaar geleden nog schamper om lachte (“Hè, wat zeg JIJ nou weer, Heilige Antonius, hmpfhaha?’) gooi je nu zelf in de strijd. ‘Heilige Antonius lieve vrind, zorg dat ik mijn autosleutels vind (en snel een beetje GVD!).’ Maar dat laatste dacht ik alleen, want anders werkt het natuurlijk niet.