Monthly Archives: November 2012

Helemaal niet grappig zelfs

Ik doe mijn ogen dicht, zeg abracadabra (in mijn hoofd, ik ben Hans Kazan niet hè) en ik doe ze weer open. Er is niks veranderd. Voor mij ontvouwt zich opnieuw een grote chaotische indoor kerstmarkt met ‘made in China’ spulletjes en verveelde verkopers. De kerstmuziek staat hard en het heeft iets surreëels, die hangende mensen op een stoel achter een tafel met troep. Ik krijg spontaan een ingeving. Of is een ingeving altijd spontaan? Hoe dan ook, het is dat ik me het beste achteruit lopend of kruipend of desnoods in ‘gangnam style’, uit de ruimte verwijder. Het maakt eigenlijk niet uit waarheen, voor mijn part scoor ik ergens een hotdog met of zonder saus of word ik verplicht op te treden in een voorbij trekkend dorpscircus, alles is beter dan dit. De realiteit daarentegen is: ik kan niet weg, sterker nog, ik ga partner A. aflossen.

Ik: ‘Hoi!’

A: ‘Hoi!’ We schreeuwen, want Jingle Bells staat dus  gewoon heel hard.

Ik: ‘Heb je al wat verkocht!’

A: ‘Bijna!’

Ik: ‘Bijna?!’

A: ‘Ja, nou ja, mensen vinden het wel heel mooi allemaal! Hoor!’

Ik: ‘Maar bijna is dus niks!’ Op z’n tijd houd ik extreem van duidelijkheid.

A: ‘Zo kan je het ook bekijken ja!’

We hadden er allebei al helemaal geen zin in, in deze kerstmarkt en daar staan we dan. De mevrouw tegenover ons heeft uit pure ellende – althans dat denken wij – de ‘kertmannen-hoed-speldjes’ maar in haar eigen haar gestoken en onze zwetende buurvrouw hangt als een aangespoelde zeereus in een campingstoel. Het is een lage campingstoel en haar neus is precies op tafelhoogte. Het geeft niet, want ze verkoopt zeep, dus misschien is ze wel heel ruikerig ingesteld en is het van te voren allemaal zo uitgemeten.


Partner A. koopt een drankje, we zouden allebei wel een bier of wat lusten, maar voor je het weet kots je je eigen kraam onder, dus we nemen Sprite. Light. Partner A. komt toch gierend van de lach terug.

A: ‘Je bent echt heel lang achter de kraam. Je torent als het ware boven iedereen uit.’

Ik: ‘Echt, oh grappig.’

En ik lach ook. Ik denk vanwege de absurditeit in het algemeen en mijn Lange Jan achtige verschijning in het bijzonder. Then again, lang, lang, de mensen zijn hier gewoon nogal dwergerig, dus het is ook relatief net als zo’n beetje alles. Je moet er in ieder geval niet teveel de aandacht op vestigen. Voor je het weet heb je een complex en beeld je je in dat je als een soort reus over de wereld banjert. Tegen iedereen verontschuldig je jezelf wat ertoe leidt dat ze je allemaal ‘De Lange’ noemen en dat ga je dan weer compenseren en het wordt er allemaal niet beter op (lees hier wat voor vreselijks er zoal kan gebeuren).


Dan gaat partner A. er vandoor. Direct gaat de muziek nóg een tandje harder. Dus ik vraag mijn chagrijnige buurman of hij het liedje soms heeft aangevraagd. Eerst hoort hij me niet en maakt met zijn hand cirkelende bewegingen rond zijn oor. Gebarentaal is ook universeel hè bedenk ik me. Tegelijkertijd moet ik mijn grap herhalen en dan weet je, dat wordt never nooit meer een succes. En? Ik doe het toch. Hij zegt: ‘Nee.’ En kijkt me boos aan. Omdat het dus niet gepast is om dan zelf nog dubbel te klappen van het lachen, doe ik dat per ongeluk wel. Althans, ik verbloem het kunstig door een soort pirouette te maken waardoor ik tegen de mevrouw met de zeep bots die ook boos opkijkt. Ben ik ineens ingesloten door boze mensen. Ik wil er dan ten einde raad maar om vloeken, maar ik bedenk me net op tijd dat Jezus het zo vast niet bedoeld heeft allemaal.

Vergif

Ik zocht op Google naar vertalingen van uitdrukkingen met ‘sweet’ erin voor een interview dat ik zojuist had afgerond. Google spuugde ‘How to poison someone’ uit. Ik vond dat op zich apart, maar ook, het was echt een hopeloos interview dus ik kon wel wat gebruiken. Het zette bepaalde radartjes in mijn hoofd aan het werk en ik moest beginnen aan het uitwerken van dat interview, maar ik dacht aan heel andere dingen. Zoals: ‘Zou arsenicum zoet smaken en als je er nou alleen een heul klein beetje van neemt zou het dan werken als een drug?’ Eigenlijk ken ik alleen arsenicum, alhoewel ik tegenwoordig ook in het ‘rattengif’ zit, maar ik houd me daarbij vooral bezig met de vraag of dat de rat uitdroogt (goed) of dat de rat niet uitdroogt (niet goed, want dat gaat geheid meuren en dan lig je DAAR weer wakker van).’

Verder bekeek ik eens even de groepsfoto van de ‘KPMG business run’ en ik zag direct waarom ik die 5 km zo’n helse tocht had gevonden. Het was niet de warmte, het was die meloen onder mijn t-shirt die ik mee had gezeuld! Ter hoogte van mijn buik zat een duidelijke bobbel. Ik bedacht me dat het natuurlijk geen meloen kon zijn (gekkie) maar dat ik in een poging even lang te zijn als mijn teamgenoten (anders val je ook zo op) niet door mijn knieën was gezakt, maar door mijn buik. Of zoiets en ik dacht, hoe krijg je het weer voor elkaar. Het zag er niet uit natuurlijk, dus ik oefende gelijk een paar normale poses in de spiegel nu ik toch op dreef was.

Mijn uitstelgedrag nam onmetelijke dimensies aan, want daarna scande ik de brievenrubriek van de Story (die ik had GEKREGEN). Briefschrijvers stortten bakken ellende uit over weerloze BN’ers. Ik las dingen zoals. “Beste Story, nou moet ik dit toch even kwijt. Iedereen vindt Ruud Gullit zo leuk, nou volgens Estelle is ze talloze keren door hem bedrogen. Geen wonder dat ze verliefd is geworden op een ander! Nou, groetjes Therese” Toen las ik het hardop nog een keer. En ik weet niet of iedereen dat doet, maar ik deed dat automatisch met een Brabants accent, het kon ook Limburgs zijn btw. Ik moest er zelf heel hard om lachen, dus ik nam gelijk de hele brievenrubriek even door.

En toen las ik over de mevrouw die ik eerder deze week al groenige brei uit een glazen fles in een glas had zien schenken. De mevrouw kreeg spreektijd in allerlei Nederlandse programma’s en er was ook een 2-delige documentaire gemaakt over deze waanzin. De mevrouw laat haar kind slechts rauw voedsel eten. Ik moest er naar kijken, zoals je ook naar een ramp moet kijken. De smurrie uit de fles zag eruit als gif. Het was het waarschijnlijk niet, maar verandert vast in gif nadat het als zoete koek in de mevrouw is verdwenen. Vervolgens stort ze al dat gif in kolkende woordenstromen uit over haar zoon die er niet van groeit. Wat ook logisch is, want van gif is nog nooit iemand groter geworden. De mevrouw daarentegen is in al haar schrielheid groter geworden dan haar kind. Lekker belangrijk is ze nu, maar als moeder heeft ze het toch maar mooi verkloot.

En toen was ik ineens echt kotsmisselijk en niemand wist nog precies waarvan.

Hij doet het en hoe

“Hoi Nevash”, zei ik door de telefoon. “Wat is de status van mijn computer?”

“Wie is dit? Welke computer?” Vroeg Nevash (de housende computer techneut van de iFix store).

“Nevash, je weet wel, die witte, die het eventjes niet meer deed door die limonadesiroop!” In dat ‘eventjes’ leg ik ook direct al mijn hoop.

Nevash: “Uhmmmm, oh ja, weet je wat, bel me om 12.00 uur even, dan weet ik het.”

Ik: “Oh, ok. Kun je me misschien al iets zeggen, doet hij bijvoorbeeld al iets misschien, een lichtje, een geluidje?”

Nevash: “12.00 uur.”


Het was inmiddels een week geleden dat ik de computer afleverde en de mail kreeg van de iFix store dat ik rustig achterover moest leunen. Dat had ik inmiddels af. Je moet dat sowieso niet te lang volhouden, want je komt echt nergens meer aan toe hè en de maatschappij draait gewoon door. Ik vroeg me ook af wat er binnen nu en drie uur nog ging veranderen en of dat ze nu de computer bijvoorbeeld pas open gingen maken. Dat ze tegen elkaar zouden zeggen “Jongens, kutterdekut, die witte computer, HE LE MAAL vergeten, snel, we zetten even de föhn erop.” “Hey Nevash, je kunt zeggen wat je wil, maar ff hè, briljant idee.” En dat ze zich vervolgens al housend en föhnend met mijn computer door de ruimte van max. twee bij twee zouden bewegen.



Uit pure ellende en machteloosheid liet ik me achterover vallen. Het slechte nieuws was dat het nog maar de vraag was of ik ooit weer overeind zou komen. Na drie kinderen is er immers een stevig tekort aan buikspieren ontstaan. Het goede nieuws was dat ik al op bed zat. Dus ik viel in ieder geval niet ver en ook lekker zacht. Sowieso zou ik me nooit zomaar achterover laten vallen op bijvoorbeeld tegels natuurlijk, dat zou echt heel dom zijn nietwaar. Tenzij ik mee zou doen aan zo een teambuilding cursus en dat een groepje mensen je staat aan te moedigen dat ze je heus wel zullen opvangen. “Val maar, laat je maar lekker valluhhh!” En als je het dan allemaal hebt gedaan, is het tijd voor een overwinnaars groepshug.


Maar goed, ik lag op dat bed, en ik was ineens ook best moe. Ik vroeg me af waar dat nou weer vandaan kwam. Zelf dacht ik dat het misschien kwam door de maatschappij, de druk in het algemeen en Robin Sharma in het bijzonder. Robin Sharma is een ondernemer -global nomad noemt hij zichzelf- en schrijft (op Facebook en Twitter) de hele dag dingen zoals: “(…) average people’s homes have big TVs. World-class people’s homes have big libraries.” En, “Less distraction. More production.” Het is allemaal steeds waar, maar probeer het maar eens bij te benen. Je gaat het toch steeds checken. Of dat je een grote tv hebt, of juist veel boeken en of je de hele tijd afgeleid bent (ja dus). En ook: ‘Eten van veel Mac Donalds junk food maakt dik, de groenteman verkoopt gezonde dingen’, is ook waar. Dus waar hebben we het eigenlijk over. Ik dacht ook, wat zou Robin Sharma vinden van mijn computerprobleem? Eerst dacht ik dat hij er niks zou vinden, ik gewone sterveling, maar aan de andere kant als hij op reis is geweest tweet hij over zijn ‘nieuwe beste Nepalese, Birmese etc vrienden’. Dus. Ik was alleen bang dat het wel eens heel teleurstellend kon zijn. Zoals: “Als je kinderen achter de computer zitten, kunnen ze niet lezen.” of “Als je computert kun je beter niet tegelijk vloeistof tot je nemen.”


“Yes, Mrs. Lebens.” Zo klonk het dramatisch door de telefoon.

Ik dacht ‘oh oh’ en zei: Yes, Nevash (met een hoge piepstem, ook nieuw voor mij en dat is vooral met het uitspreken van Nevash vrij lastig).

Nevash: De computer is heel, heel erg beschadigd. Ik kan niks meer voor hem doen.

Ik: Echt niet, weet je het zeker?!

(…) Nevash liet een stilte vallen. Ik denk dat hij toch nog even een double check uitvoerde. Pols, hartslag, weet ik veel.

Maar nee, hopeloos verloren. Had die ellendige Sharma wéér gelijk. Hoe doet ‘ie het, vraag je je af.

De Waarheid

“Zijn jullie verdwaald?”
De stem klinkt ergens achter ons, terwijl ik net met dochter (Lucie, 3) de wc in het rugby stadion van de Sharks uitloop. We leven in de rust en reeds vele billen gingen ons voor. Normaal gesproken wacht ik in de rij, neem een hap lucht als ik aan de beurt ben, hang zo’n beetje half boven de pot, doe met twee vingers de deur weer open, adem uit, was mijn handen en snel naar buiten. Maar, met een kind, toch andere koek.

“Mam, waarom maak je de hele bril schoon?”

“De bril is smerig Lucie.”

“Mam, hier zit nog iets.” (Raakt met beide handen pot aan) “Oh poofie (Zuid-Afrikaans voor ‘smerig’) dit is nat hoor!”

“Jahaaa.” (Zucht ik, want ik ben die hele plee nu al tering zat. Je zou stiekem willen dat ze een luier droegen tot ze volledig zelfstandig naar de wc kunnen, maar de waarheid is dat we met z’n allen hebben bedacht dat dát sociaal, maatschappelijk, pedagogisch etc. niet verantwoord is en dus hang je kokhalzend brillen poetsend met je neus boven diverse potten).

“Ik til je wel even op de wc Luus.”

“Neeeee! Ik gaat zelluf zitten.” (Klimt op de wc en houdt daarbij de bril met beide handen vast).

“Nu moet jij weg.” (Waarop ik het hokje uit loop en verontschuldigend glimlach naar de hele rij mensen terwijl ik naar binnen roep: “Niet de deur op slot doen!”)

“Ik ben klahaar!”

Vervolgens ga ik zelf, laat de deur op een kier, maar niet zover dat iedereen mij kan zien, wel zover dat ik Lucie kan zien en stevig genoeg dat Lucie de deur niet ineens opent. En als ik dat ook – van de pure stress toch alle dampen in- en uit ademend – heb overleefd en we buiten staan, klinkt die stem.

Of dat we verdwaald zijn. Het zou op zich een filosofische gedachte kunnen zijn. Immers, zijn we niet allemaal op de een of andere manier verdwaald in het landschap des levens. Maarrrr we zijn bij de rugby. Ik zou niet willen beweren dat het plat is, maar in ieder geval behoorlijk in het hier en nu: “Tackle hem nou toch, TACKLEEE!! Ja, zo ja briljante tackle.”  

Dan zegt de stem: “Je ziet er knap uit.”

Om te vervolgen: “Jullie zien er allebei knap uit, maar jou zou ik wel mee naar huis willen nemen en die kleine niet.”

Het is ergens een aantrekkelijk zinnetje en dus doe ik iets wat ik niet had moeten doen.

Ik kijk om.

En daar staat een soort dwerg met een enorme emmer bier in zijn twee handjes, een spijkerbroekje en gezonde blozende wangetjes. Zijn vriend staat er zo’n beetje hulpeloos grinnikend en schouder ophalend naast. Rien Poortvliet dringt zich in een hoekje van mijn gedachten aan me op. Ik duw Rien weg en bedenk me opgelucht ‘Oja, kinderen en dronken mensen spreken de waarheid!’ Alhoewel ik me wel prompt afvraag of de waarheid in zijn hoofd is: “Eush, wat een enorme prooi van twee koppen groter (ik dus) heb ik hier in het vizier! Die neem ik mee naar huis, ik denk dat ze dat vast een heel goed idee vindt! En dat we dan bij zijn huis aankomen en dat hij naar binnen wandelt en dat ik er dan achteraan kruip door het deurtje en zeg: “Goh stijlvol, die rood met witte stippen op je paddenstoel” Nah, heel veel tijd om erop door te filosoferen heb ik niet, want – los van het feit dat mijn fantasie hier gewoon ophoudt – begint de wedstrijd weer. Dus ik mompel: “Nou, ik moet gaan hè mannetje, doei.”

De wedstrijd eindigt in een nederlaag en dat is echt waar en vastgesteld door de scheidsrechter, dus ja, daar leg je je gewoon bij neer.