Monthly Archives: February 2013

Herriestoppers en dooddoeners

De man danst een traag dansje op muziek die ik me herinner van toen ik 15 was. Of nou ja, dansje. Het zijn eerder slome, schuivende passen, het hoofd naar beneden gericht. Hij kan ieder moment omkukelen. Plotseling is daar een vrouw. Ze positioneert zich voor de man en zakt met haar schouders ‘shakend’ afwisselend door haar rechter- en linkerknie. Daarna zakt ze door beide knieën tegelijk en ‘shaket’ weer omhoog. Ik sla mijn handen voor mijn ogen. Sommige dingen wil je gewoon niet zien. Stel dat je het een keer zelf doet in de veronderstelling dat het sexy is, dan heb je nu bewijs dat het niet zo is. Zo jammer.

Bovendien ben ik niet dronken op dit feestje, maar degene die zich broodnuchter achter een hekje in de tuin verschanst heeft. Niet om te spioneren (gekkies) – dát zou wat zijn, dat je op zaterdag feestjes vanachter een hek gaat bekijken – neeee, ik heb dus gevraagd of de muziek uit kan. En ik sta te wachten en te wachten en opeens denk ik, ze laten me hier gewoon staan!


Mijn gedachten dwalen af naar mijn vakantiebaan als koffiejuf. Ik was 15 en werkte in een énorm overheidsgebouw vol met grappige ambtenaren. ‘Zo, de kop is weer vanaf’ op maandagmiddag en ‘Zo Zaagmans is alweer geweest’ op de woensdagmiddag. De eerste keer is dat dan nog best grappig, daarna denk je ‘allejezus’ en daarna denk je ‘ik word nooit ambtenaar’ terwijl je überhaupt nog nooit hebt gedacht het wél te worden, maar in je hoofd spelen zich soms dingen af waar je geen invloed op hebt. En dan word je het later plotseling tóch en daarom alleen al is maar goed dat je niet alles van te voren weet, want je zou er op voorhand depressief van kunnen geraken.  


Goed. Twee keer per dag racete ik met mijn kar met koffie en thee en koeken over de gangen. Als we (de koffiejuffies) niet over de gang raceten, belegden we broodjes. We kwakten boter met een lepel op broodjes want dat was sneller. Dus dat deed ik, want ik was 15 en ik had niet echt een mening over iets, laat staan over het smeren van boter op broodjes. Al ging het helemaal niet snel, bij mij dan tenminste niet dus ik dacht, ik kan maar beter nooit voor ‘het echie’ koffiejuf worden. Dat moet je dan niet hardop zeggen, want daar maak je geen vrienden mee, maar ik was 15 en ik moest nog een hoop leren.


Peggy stuurde de groep koffiedames aan. Peggy had een hele strakke staart, maar echt dat je denkt hoofdpijn strak en Peggy vond mij langzaam “Jij bent echt langzaam!” zei ze dan terwijl haar lichaamstaal ook wel al boekdelen sprak, maar het kan allemaal maar duidelijk zijn soms. Ze dacht overigens dat ik wel sneller kon. Dan snelde ze ineens uit de lift terwijl ik met een koffiekopje en een peuk erin (those were the days) uit een kamer rende. Terwijl ik het stilleven van de ambtenaar in mijn koffiekar smeet vergezeld van een “Hey, hoi, ben je klaar, ik neem je kopje mee hè!” stond Peggy ineens voor mijn neus.

“ZO! Sta je weer te kletsen?!”

En dan keek ik eerst om me heen en dan bleek dat ik de enige was en dat ze het tegen mij had.

Dus dan zei ik: “Nee Peggy, sorry.” Terwijl ik dacht ‘Met wie in vredesnaam zou ik hier moeten praten?!’


Maar goed, ik word onderbroken door feestganger Edward, het kan ook Steward zijn. Hij zet de muziek eerst zachter, maar ik ben op een missie, je kunt niet ineens geen voet bij stuk meer houden. En zo gaat de muziek uiteindelijk. (Sorry, grapje tussendoor.)


Resumerend heb ik dus een feestje rücksichtslos beëindigd. Je kunt je afvragen of dat sneu is. Maar er zijn altijd sneuere dingen. Het is hetzelfde met ergere dingen en leuke, spannende en gore dingen btw. En dooddoeners zijn nooit zaligmakend. Het zou ook raar zijn toch, ben je op een leuk feestje zeg je “Maar er zijn vast leukere feestjes!” Bovendien is het achteraf. Achteraf constateer je ook dat Peggy waarschijnlijk dacht dat ik met mensen stond te ouwehoeren omdat ze dat zelf de hele tijd deed of in ieder geval graag wilde. 

Op de voet

Jullie zullen wel denken ‘Heb je haar weer.’ Ik zou dat wel doen denk ik, maar sommige dingen overkomen je gewoon. En vorige week was blijkbaar mijn medische week. Iemand had bepaald dat mij precies dan de griep, de tandarts en de podotherapeut zouden overkomen. Ik overwoog die iemand de nek om te draaien, maar waar houdt zo iemand zich op hè. Dus ik deed het niet, wat waarschijnlijk ook voorbestemd was.
En zo bewoog ik me na de griep en de tandarts behoedzaam naar de podotherapeut. Ik vond het echt iets voor bejaarden of postbodes, maar de fysiotherapeut vond het pure noodzaak dat ik ging. Ze schoof het geenszins onder stoelen of banken.

“Jeetje, wat heb jij een doorgezakte voeten!” Nu consulteerde ik haar voor een blessure aan mijn voet, dus ze had het volste recht wat van mijn voeten te vinden. Het was bovendien beter dan bij de plastisch chirurg aandacht vragen voor je kin en dat hij dan de suggestie doet je wallen ook gelijk even mee te pakken, maar toch. Ik heb bovendien al mij hele leven brede doorgezakte voeten. Ik vind het wel fijn, lekker stabiel en geaard ben ik (lichamelijk dan) en ik weet niet beter. Maar uiteindelijk was het nergens echt goed voor, aldus de fysiotherapeut en daar ging ik.

De podotherapeut zei “Hallo, ik ben de podotherapeut.”

Ik zei: “Ja, dat dacht ik al.” Niet omdat hij eruit zag als een typische podotherapeut (weet ik het), maar omdat hij in zijn eentje, in het afgesproken kamertje, op het afgesproken tijdstip was, kon niet missen. Ik checkte wel gelijk even zijn voeten, stel dat hij misvormde voeten had, dan ga je toch twijfelen, maar hij had schoenen aan.

Van de podotherapeut moest ik over een matje lopen dat aan de computer verbonden was. Nou, laat dat maar aan mij over, ik zou wel even laten zien dat ik dat kon! Met rechts, als het met rechts moet, snel als het snel moet etc. Terwijl het ook raar zou zijn als hij zou zeggen: “Jeetje wat doe jij dat goed.” Ik zou daar toch wat achter zoeken en denken ‘Wat wil die man van me.’ Je moet ook niet te goed willen zijn overigens. Zo heb ik wel eens heel sierlijk willen buigen bij de schoolarts. De schoolarts zei: “Hmmm, doe je dat altijd zo?” Ik zei trots “Jazeker!” (En dat was gelogen want ik deed het voor het eerst en alleen omdat mijn zusje de vorige dag heel lenig bevonden was en dat was ik natuurlijk ook!) En zo kreeg ik een doorverwijzing naar een mensendieck juffrouw waar ik in mijn ondergoed oefeningen moest doen wat ik tijdens onze vakantie in een bloedhete tent in Zuid-Frankrijk vol moest houden. Waarmee ik maar wil aangeven, doe maar gewoon, dan doe je etc.

Goed, ik liep over het matje, daarna rende ik over het matje (ik dacht zal ik er overheen springen voor de grap, ik ben er nu toch, maar ik beheerste me) en daarna gingen we het resultaat bekijken op de computer. Het goede nieuws was dat mijn voet op het beeldscherm paste. Het slechte nieuws was dat ik inderdaad misvormde voeten heb, maar het gaf niks want ze hebben tegenwoordig best ‘okeje’ sandalen. En? Dat was niet waar inderdaad. Het waren sandalen waar Jezus en de hele gezondheidswereld keihard om zouden lachen en dat is echt bijzonder hoor, want verder is die groep vrij serieus altijd. Het alternatief was een zooltje. En het toeval wilde, de podotherapeut had ze zelf ook! Voor ik er erg in had vertelde hij me wat hij allemaal wel niet had, trok zijn schoen uit, liet me zijn zooltje zien en daarna mocht ik er ook nog aan voelen. Ik deed het en liet me een zooltje aansmeren en dat voelde ergens echt sneu. Maar ik was ook opgelucht. Met name voor de podotherapeut omdat het voorbestemd was dat hij podotherapeut was geworden en geen gynaecoloog of seksuoloog. 

Er zijn altijd dingen

Mijn kies moest er dus uit (lees hier waarom in vredesnaam) en zo zat ik wederom in de wachtkamer van de tandarts. Er zat verder niemand, maar ik zocht daar niks achter (zoals dat het misschien toch een ‘fake’ of hele slechte tandarts was en dat iedereen zich in de wachtkamer van een ander hadden verzameld). Immers, IK was er nu met mijn verrotte kies, dus daar ging al zijn aandacht even naar uit. Ik begreep dat wel.

De assistente, de receptioniste, de administratieve persoon die je direct na je behandeling een rekening stuurt, allemaal keken ze me meewarig aan. De assistente vroeg hoe het ging en ik zei: “Het kon beter” en wees naar mijn mond. Niet dat iemand ooit voor iets anders dan de mond bij de tandarts komt, dus het sloeg weer eens nergens op. Alhoewel, misschien de maîtresse van de tandarts en mensen die per ongeluk langskomen. Mazzelaars. Hoe fijn zou het zijn als je nu kon zeggen: “Huh, waar ben ik nu weer aanbeland? Is dit de tandarts, oh, ik moet bij de Belastingdienst zijn, nou doei!”

Anyway, ik had mezelf een ochtend lang opgefokt en was al lang blij dat ik ogenschijnlijk rustig op het bankje zat en niet hysterisch huilend op het karpet lag. In gedachten gaf ik mezelf een ‘high five’ voor zelfbeheersing.

Ik mocht vrijwel direct doorlopen naar de behandelkamer en ging dan gelijk maar liggen. Ik hield me nog steeds goed, want het zou 30 seconden duren volgens Google en wat zijn 30 seconden op een mensenleven, op een dag, op een uur? Op een minuut is het dan wel weer lang, maar dat denk je niet.

“Hoe lang duurt het eigenlijk?” Vroeg ik om toch iets van conversatie met de assistente te voeren.

“Een half uur ongeveer. Eerst zaagt de tandarts je tand doormidden en daarna haalt hij de helften, of de stukjes eruit.”

Ik moest dit even laten bezinken, dat van het zagen en die stukjes tand en ik dacht, ik heb nou ook weer niet zo heel veel pijn eigenlijk en ik moet nog boodschappen doen en de administratie, dus ik stap maar weer eens op.

“Wil je misschien wat lachgas?” De assistente had waarschijnlijk door dat ik mijn benen stukje bij beetje van het bedje bewoog.

“Nou, neuh, nee joh, het gaat wel hoor.” Zei ik en stak mijn duim op om mijn woorden kracht bij te zetten. En ineens dacht ik, wat kan mij het schelen ook, dus ik vroeg: “Wat doet dat dan precies, lachgas?”

“Je wordt er heel ontspannen van, het is net alsof je drie glaasjes wijn op hebt.” Antwoordde de assistente.

Drie glaasjes wijn?! Ik vond dat nog best veel en ik had bovendien ook helemaal niet veel gegeten en wat nu als het niet volledig wegtrekt en je de rest van je leven sneu giechelend door moet brengen? Maar toen kwam de tandarts binnen en kon ik het al niet eens meer nemen.

“Zo.” Zei de tandarts.

“Nou,” zei ik.

En omdat ik na deze conversatie compleet gerustgesteld was, zette de tandarts maar gelijk drie verdovingen.

Vervolgens verwijderde hij de kroon en humde: “Nou nou nou nou nou, het is maar goed dat we dit doen. Wil je het zelf ook zien?”

“Ik zou het wel doen hoor,” zei de assistente met grote ogen.

Zelf had ik eigenlijk helemaal niet het gevoel dat ik iets zou missen als ik de situatie in mijn mond eventjes oversloeg.

Dus ik zei: “Bedankt, maar nee en mag ik dan nu toch wat van dat lachgas voor de zekerheid?”

Maar daar was het volgens de tandarts nu toch echt te laat voor. Ik vond dat gewoon heel erg oneerlijk, maar een gelijkwaardige discussie voeren met een mond vol gebroken kies en tangetjes die me deden denken aan de gereedschapskist, leek me ook onmogelijk. Dus ik sloot mijn ogen en dacht aan ergere dingen (zoals).