Monthly Archives: March 2013

Het toetje van de dag

Ik zit met zoon Boris (zeven) in de auto. We rijden terug van een zwemwedstrijd op school. Ik vraag hem hoe het ging, terwijl ik zelf eerlijk gezegd volledig uitgeput in mijn autostoel hang. Eigenlijk moet iemand nu aan míj vragen hoe het gaat en dat ik dan kan zeggen dat het ‘Allemaal zo vreselijk inspannend was, het aanmoedigen en ook zo stressvol joh!’ maar zo werkt het dus niet hè, het ouderschap. Het is maar oneerlijk allemaal, waarom krijg je bij de geboorte niet gewoon een lijst met dingen mee die je jaarlijks gemiddeld kunt verwachten en bijvoorbeeld drie verantwoorde handelwijzen. Dat zou nog eens een hoop oefenen op je eigen kinderen schelen.

Eigenlijk begon het ALLEMAAL een dag eerder al, toen we het schema gemaild kregen.

Ik: “Jeetje Boris, ze hebben je in het snelste zwemgroepje geplaatst!”

B: “Ja, dat weet ik mam. Goed hè!”

Ik: “Ja nou, jazeker wel, maar dat betekent dus ook dat de kans dat je wint heel erg klein is.”

B: “Hoezo?”

Ik: “Nou, daar zwemmen hele snelle jongetjes in die ook na school nog trainen, enzo.”

Ik hoor het mezelf zeggen en ik denk ‘JA hoor, nu maak je er dus een ding van.’ En ik verwijt mezelf ook dat ik zeg dat andere jongetjes na school trainen, want misschien zijn ze ook gewoon sneller. Waarom ben ik nu al bezig mijn zoon te behoeden voor een mogelijk falen? Waarom is zo’n zwemwedstrijd niet gewoon een leuk futiliteitje tussendoor of op z’n ‘serieust’ iets dat hem leert om te gaan met winnen en verliezen. Dat had ik me ook voorgenomen, dat als ik als moeder van grote kinderen NIET competitief zou zijn, NIET langs de lijn zou staan schreeuwen en al helemaal NIET nerveus zou worden van hun wedstrijdjes.

En wat gebeurde er? Met een bonzend hart zit ik naast man J. en we moedigen onze zoon aan.

Ik: “Stressvol hè, ik hoop zo dat hij het goed, dat zou echt goed voor zijn zelfvertrouwen zijn. Vind jij het ook zo spannend? Ja toch?”

Man J: “Neuh.”

Ik: “Helemaal niet?”

Man J: “Neuh.”

Ik: “Sjonge jonge, laat maar. Oh kijk, daar gaat hij, KOM OP BORIS!”

En daarna moedig ik – de blikken van man J. die het natuurlijk allemaal weer níet spannend vindt negerend – schreeuwend zijn team aan, ik knipoog onafgebroken naar hem waarbij ik ook continu twee duimen opsteek, geef hem nog een energiedrankje en een snoepje en ik word eerlijk gezegd al nerveus van mezelf.

Goed, terwijl we terug rijden en ik in de auto naast B. hang, spreek ik mezelf dan ook vermanend toe. ‘En NU kappen ja, je gedraagt je.’

B: “Nou het ging goed hè mam, ik zat steeds bij de snelsten.”

Ik: “Zeker! En vond je het spannend?”

B: “Ja best wel.”

Ik: “En wil je er nog iets over vertellen?”

B: “Neuh.”

Ik: “Helemaal niks?”

B: “Neuh. Of misschien wel, ik ben eigenlijk wel heel erg benieuwd…”

Ik: “Ja, ja, ja vertel maar, je kunt mij álles vertellen!”

B: “Wat eten we vanavond voor toetje mam?”

Sjemig, wat wordt hij groot, wat ben ik opgelucht dat mijn stressgenen klaarblijkelijk niet dominant zijn en wat ben ik ineens trots.


Dit stukje verscheen ook op oudersonderling.nl

We keken het nog even aan

Dochter L. (vier) is ziek. Niet heel erg, maar wel behoorlijk grieperig. Ze vindt het zelf best interessant. Als je vraagt hoe het gaat zegt ze: “Niet zo heel goed hoor”, voelt met de achterkant van haar hand aan haar voorhoofd en trekt er een dramatisch gezicht bij. Het kan komen door mij, ik voel zo ongeveer elke vijf minuten aan haar voorhoofd, of check haar temperatuur met de oorthermometer. Echt een TOP uitvinding trouwens, nooit meer gehannes in billen. Maar goed, een ziek kind betekent ook dat ik aan niets anders kan denken. Ik ben zo ongeveer de enige.

Ik: “Denk jij dat ze morgen wel weer beter is?”

Man J: “Ik weet het niet.”

Ik: “Denk jij dat je weet wat ze heeft?”

J: “Nee, geen idee.”

Ik: “Denk je dat we naar de dokter moeten gaan?”

J: “Ik denk dat we nog wel even kunnen wachten.”

Ik: “Jij denkt dat we nooit naar de dokter hoeven hè.”

J: “Niet zo snel nee.”

Ik: “Laat maarrrrr, ik ‘google’ het zelf wel evennnn.”

Logisch redenerend is het natuurlijk veel handiger dat man J. niet ook in de paniekmodus schiet als een van de kinderen ziek is. Stel je voor dat we allebei als een kip zonder kop door het huis zouden rennen bij het eerste spoortje van verhoging. Dat we tegen elkaar zouden zeggen, “Oh nee! Het is vast heel erg allemaal!” En dat we dan sámen bij de dokter een flater zouden slaan en hakkelend uit zouden leggen dat we dus op Google dingen hadden gevonden die ons zorgen baarden en dat we daarom etc.

Maar op het moment zelf is het gewoon heel erg irritant. Dus ik stamp naar de slaapkamer, gil: “Jij begrijpt er ook niks van!” en dat is dan dat. Echt onhandig van mij, want na een tijdje moet je toch die kamer weer uit anders verhonger je, dus ja.

Ik moet denken aan dochter L. toen ze net geboren was. Ze dronk vreselijk goed en poepte nacht twee achter elkaar luiers vol. Eerst vond ik het nog wel grappig: “Ha ha,” zei ik tegen man J, “We hoeven niet te twijfelen dat ze jouw dochter is!” Maar zoals dat gaat met grappige dingen, het moet ook weer niet té grappig worden, want dan schiet het door naar stom. Vraag me ook niet hoe het kan, ik heb het ook niet verzonnen. Na poepluier acht kón het niet meer kloppen dacht ik. Ik was bovendien ook wel uitgelachen, man J. lag naast me te snurken en dat wilde ik zo midden in de nacht op zich ook wel eens een keertje. 

Dus ik sloeg dokter Spock (gekregen toen we de eerste kregen en ik al helemaal niks begreep van dat pakketje zonder gebruiksaanwijzing dat lag te krijsen in z’n wieg) er maar gelijk even op na en DAARNA Google en TOEN vond ik natuurlijk op een site, ergens in een hoekje iets wat inderdaad niet klopte. Dus ik schudde man J. wakker en die belde de huisartsenpost en ik  dicteerde van acht poepluiers en ja nou ja, dat dus en als je dat dan hardop zegt, klinkt het echt allemaal niet echt ernstig meer. Maar ja, dan ben je al aan het bellen. Dus, voor wie ook de huisartsenpost wel eens belt, zeg het eerst eens hardop tegen elkaar en als je dan óf in de lach schiet, óf zo half mompelend je zin niet afmaakt, dan kun je beter niet voor het echie bellen, maar het gewoon rustig (vooral dat) nog even aankijken.  

Je steekt er nog eens wat van op

We zijn op safari. We zitten in onze eigen auto en we slapen allemaal, behalve man J. dan, want die rijdt. Af en toe krijg ik een por. Ik heb gezegd dat het niet perse hoeft, maar hij doet het toch. “Kijk een neushoorn, kijk een ander beest!”
Verder eet en drink ik vooral heel veel. Want dat doe ik als ik lang in de auto zit. Rijstwafels, kinderkoekjes, kindersap. Dingen die helemaal niet lekker zijn. “Nee, de rijstwafels zijn op, sorry”, zeg ik met mijn mond vol tegen de kinderen. Echt zielig, maar ook zij hebben heus niet écht honger hoor. Trek. Hooguit. Het is pure verveling. Hmmm, uit verveling ga ik dus eten. Zou iedereen dat doen, vraag ik me af? Maar door al dat geniks in de auto maak ik ook geen gedachte af. Mijn hersenen zijn na een pak of wat ook van gepofte rijst lijkt het wel.

En ‘s avonds gaan we naar bed. Zo bijzonder is het allemaal niet hoor mensen, op safari gaan. Je staat op, je gaat rondjes rijden, je ziet nog eens wat, je eet en je gaat weer naar bed.

We doen het licht uit en ik hoor iets.

Ik: “Ik weet het zeker, ik hoorde een mug. Zojuist, vlakbij mijn oor.”

J: “Ik denk dat het wel meevalt schatje.”

Ik: “Nee, zeker weten, ik hoorde hem, of haar, dat kan natuurlijk ook.”

J: “Ok, ik doe het licht wel aan.”

Ik: “Nou, dat is toch ook wat, een mug ín de klamboe.”

J: “Nou, zeker schatje, het is wat.”

Ik: “Ja, jou kan het niet schelen, want ik word toch altijd geprikt en weet je wat het aller ergste is?”

J: “Dat ze in je voet prikken.”

Ik: “Zit je me nou te ‘fucken’? Dat is echt heel naar hoor. Je kunt er door het eelt precies niet bij. Het is net als, het is net als, het is net ALS. Wat doet het er eigenlijk toe, het is gewoon heel naar. En dan ook nog eens in dit ‘gamepark’, wat nu als het een malariamug is? Dan word ik ziek en dan kan ik niet voor de kinderen zorgen en dan moet jij vrij nemen hoor, dus ik zou maar ophouden met je zogenaamde grapjes.”

J: “Ik zie niks schatje.”

Ik: “Nee, oh nee? OK DAN, dan doen we het licht wel weer uuuuit.”

Ik: “Joost.”

J: “Ja.”

Ik: “Ik hoor hem weer hoor.”

Het licht gaat weer aan.

Ik: “Kijk daar!”

J: “Houd jij hem in de gaten, pak ik de spray.”

Ik: “Hij heeft niet bewogen hoor, brave mug! Geef maar, ik spray wel.” En ik spray er springend op los. Je wil niet dat de mug op je valt en in een laatste hang naar leven of uit pure wraak je nog net even snel steekt. Ik denk namelijk dat ze dat doen. De intelligentie van de mug van tegenwoordig moet je niet onderschatten.

J: “Dat is behoorlijk wat hè, voor één mug, ik denk dat hij dat niet overleeft hoor.”

Het licht gaat weer uit.

Ik: “Hoor jij hem ook? Ik zweer het je, daar is hij weer.”

J: “Huh?” (Sliep al.) “Huh, nee joh en als wel dan denk ik dat hij nu dood gaat, dat dit zo’n beetje zijn laatste stuiptrekkingen zijn.”

Ik: “Hoezo nou weer dan gaat hij nu echt dood?! Hoezo stuiptrekkingen, wat is dat nou weer voor onnozels, hoe weet jij dat nou weer?!”

J: “Ik heb ook geen idee eigenlijk, ik sliep al.”

En we slapen.

Dan nog een paar tips voor als je op safari gaat. Koop vooral geen kaki outfit met een hoed en broek met zakken aan de zijkant, want je mag de auto toch niet uit. Dit maakt de kans dat je plotseling en heel snel onzichtbaar moet zijn in je kaki outfit, of razendsnel uit je zak een mes tevoorschijn moet toveren om een leeuw te doden echt heel, heel, heel erg klein. Je kunt elkaar groeten (man J. heeft de onhebbelijke neiging om naar iedereen zijn hand op te steken) maar het hoeft niet. Je kunt ook – dit weekend waar gebeurd btw. – aan een tegenligger laten weten dat je net een olifant hebt gezien door met je handen een slurf na te doen en vervolgens met je handen te flapperen naast je hoofd (vanwege de oren), maar ook dat hoeft dus niet. Oh ja, neem muggenspul mee.

Overleven op het estate

Ik woon in Zuid-Afrika, in een beveiligd complex. De huizen op het estate zijn gebouwd rondom een golfbaan, om die golfbaan staan huizen en weer daaromheen staat een hek met dáár weer bovenop elektriciteitsdraden. Dit is Zuid-Afrika. Dit soort estates zijn nu eenmaal goed beveiligd, maar echt goed in de zin dat je soms weleens vergeet de deur op slot te doen.
Niet dat ik mijn deur altijd zorgvuldig op slot deed in Nederland. Misschien is ‘deuren op slot doen’ een genetisch iets. Dat je er niks aan kunt doen als je het vergeet. Heel vaak deed ik hem btw. wel op slot. Zo heb ik de reservesleutel zelfs wel eens ’s ochtends aan de bínnenkant van de deur gedaan. Ik sliep alleen thuis en ik dacht, dat is reuze HANDIG, want dan hoef ik het vanavond niet te doen. Ik liep naar buiten en trok de deur achter me dicht. En toen drong het tot me door dat ik niet meer naar binnen kon, dat man J. in China oid. zat en de drie kinderen op het kinderdagverblijf. ‘Oh jee’ dacht ik. Nee, grapje natuurlijk, ik dacht ‘Wel god gloeiende etc.!’ en schoot stante pede in een paniekmodus. Ik belde man J. in China. Dat was sneu, maar wat moet je dan en bovendien loste hij het op met weer andere mannen die de brievenbus openbraken onder een “Nou, nou, nou, dat is niet zo handig mevrouwtje.” Terwijl ik op dat moment eigenlijk helemaal geen bevestiging nodig had. Timing is een dingetje hoor.

Goed, terug naar het leven in een complex. Er staan zo’n 1500 huizen op het estate. Het is er dus groot en het is er best gevaarlijk. Zo sluipen we iedere dag langs de buurvrouw, want voor je het weet schreeuwt ze iets over openstaande garagedeuren, of het gehuil van de meisjes dat echoot tussen de huizen. Dat het zo zielig is voor de meisjes is en zo vroeg al, hoe kan het nou dat ze al om 5.00 uur wakker zijn?! Super gevaarlijk dus, voor je het weet verkoop je de buurvrouw een mep. Verder laten ‘de monsters onder bed’ zich niet tegenhouden door een hek en hetzelfde geldt voor grote kakkerlakken. En ook andere hele kleine vieze beestjes hoor. Zo zag ik laatst vanuit bed op het nachtkastje een soort ieniemienie zwart dingetje liggen. Ik bewoog mijn hoofd erheen en JA hoor, spartelende pootjes. Het beestje lag op zijn rug. Dus ik keek even om me heen wie het beest kon vermoorden, maar man J. was er niet dus ik moest zelf ten strijde trekken. Dus ik klom uit bed, trok mijn prothese aan, oh nee, sorry, nu zit ik een beetje teveel IN het verhaal. Dus ik klom níet uit bed, maar pakte een flesje water en vermorzelde het beestje onder het flesje. Daarna liep ik naar de badkamer en spoelde het flesje af. Gevaar geweken.

Natuurlijk zijn er wel eens mannen over het hek van het estate geklommen. Dat is geen discriminatie, ik denk dat vrouwen ook zeker wel over het hek kunnen klimmen – heel snel zelfs! – maar dit waren toevallig alleen maar mannen. De laatste keer waren het mannen die iets van een delict hadden gepleegd, waarschijnlijk geen idee hadden waar ze heen moesten en in het nauw gedreven over het hek klommen. Hoe kom je erop. De man, je zou er een heel stukje over kunnen schrijven. Anyway, vooralsnog lijkt het er op dat je de deur beter op slot kunt doen voor de onhandige man dan voor de gevaarlijke. Maar misschien geldt dat niet voor alle estates, dat zou natuurlijk kunnen.