Monthly Archives: April 2013

& hun vriendjes

Er is een kans dat onze Cowgirlzzz slaapzakjes in een Nederlands tijdschrift komen. Nadat partner A. en ik elkaar hebben ‘gehighfived’, op de tafel gedanst en van pure uitputting verder even helemaal niks meer konden, gaan we over tot de orde van de dag. We hebben een goede foto nodig van de slaapzakjes, zo blijkt uit contact met de betreffende bladen. Het is onvoldoende als je alleen je eigen tenen weg fotoshopt, een witte slaapzak moet wel echt wit zijn en niet grijs, nee ook niet een beetje grijs, dat soort dingen.
En zo koersen we naar de Chinese fotograaf die onze slaapzakjes al eens gefotografeerd heeft en die we toen onze ‘Chinese vriend’ zijn gaan noemen. Wat we eigenlijk best denigrerend vinden, maar het is heel lastig zo’n naam ineens weer los te laten. Terwijl er echt wel een risico aan kleeft. Zoals dat je de betreffende persoon met zijn bijnaam aanspreekt. Zo zei ik ooit eens tegen een buurman: “Nou, hartstikke bedankt Bert!” Terwijl hij dus Ruud heette en zíj Bertie, maar dat was al vrij snel Bert en Bertie geworden omdat het een echte Bert en Bertie waren. En dat je het vervolgens gaat uitleggen terwijl je voelt dat je wangen steeds roder kleuren: “Oh sorry, zei ik nou Bert? Ja, je bent natuurlijk Ruud, ja je bent een echte Ruud, zo stom, hi hi hi hoe kan ik me nou zo vergissen!” En zo maak je het eigenlijk alleen maar erger.

Onze Chinese vriend kan de slaapzakjes alleen hangend fotograferen vanwege het licht.

“Oh nee dat kan niet, want dan zie je het hangertje op de foto,” zeg ik.

Ik kijk even om me heen en zeg dan: “Zullen we anders de slaapzak hierop leggen en dan houd ik die lijst zo schuin boven mijn hoofd.” Ik wijs naar een houten fotolijst die ik gelijk even probeer op te tillen.

“Goh, nog best wel heel zwaar voor een fotolijst.” Zeg ik. Dus, wat doe ik? Ik til de lijst toch boven mijn hoofd en kijk iedereen aan van dat ik toch maar weer mooi een oplossing heb bedacht!

De Chinezen giechelen en schudden hun hoofd – maar dat geeft niet – want dat doen Chinezen altijd.  Partner A. daarentegen kijkt bedenkelijk en zegt dan “Neh, laten we nog maar even verder kijken.” Dus ik laat de houten lijst ter aarde storten en zeg, “Natuurlijk, wat jij wilt of course.”

De Chinees raadt ons een Indiase fotograaf aan en zo vinden we onszelf tien minuten later omringd door surrealistische 3D portretten van Indiase mensen met heel veel glinsters en make-up op hun gezicht. De Indiase meneer heeft zo zijn eigen techniek. Partner A. moet een lange stok vasthouden en daar hangt hij het slaapzakje aan. Het ziet er eigenlijk uit alsof partner A. gaat vissen, maar niet precies begrijpt wat dat is en daarom de hengel nogal ongelukkig vasthoudt. Ze kijken er allebei wel heel serieus bij, dus het zou fijn zijn als ik dat ook zou doen. Het lukt me niet. En zo denkt de Indiase meneer dat ik hem uitlach, dus dat moeten we rechtbreien en dus zeg ik dat ik gewoon zomaar wat in het rond lachte en partner A. zegt dat ik haar uitlachte en de Indiase meneer vindt het eigenlijk al niet erg meer en zo was het toch nog een hele fijne middag.
Dus we lopen tevreden naar buiten, gaan in de auto zitten en dan zien we ineens onze Chinese vriend bij onze nieuwe Indiase vriend binnenwandelen. We denken voor een cursus, maar misschien zijn het wel vrienden of zo. De wereld is ook echt fokking klein hè.

Als het over jezelf gaat

Vandaag even geen stukje met man J. Ik werd eerlijk gezegd een beetje simpel van man J. die continu in mijn stukjes figureerde en ik dacht ook, dadelijk denken jullie nog dat ik geen andere vrienden heb of zo. Dus ja. Ik deelde het ook even met man J. anders is het ook zo sneu en die zei: “Oh ok.” Hij was er dus niet echt van onder de indruk. Nu vraag ik me sowieso wel eens af waarvan hij dan wel stuk zou zijn, maar voor je het weet schrijf ik weer een stukje over man J. en dan moet hij zijn eigen blog maar beginnen vind ik.

Terug naar mij. Voor het eerst sinds acht weken volgde ik weer een lesje katabox op de sportschool. De blessure aan mijn voet maakte het eerder onmogelijk. Iets met overbelast en platte voeten en daarom heb ik nu zooltjes (lees hier) en dat was wel even wennen. Ook omdat je toch liever geen zooltjes hebt omdat je het aller, aller, allerliefst gewoon normaal bent. Of in ieder geval normaal qua fysiek. Nou ja en geestelijk ook wel natuurlijk. Liever geestelijk normaal met platvoeten, dan dat er een steekje loszit en je met normale voeten in  zeven sloten tegelijk loopt, nu ik er zo over nadenk. Wat ik bedoel, is dat als je zou kunnen kiezen, dan was je helemaal in orde. Maar goed, in plaats dat van die zooltjes te verzwijgen vertelde ik het aan iedereen en liet ze ook zien. Ik zou er zelf niet zo op zitten te wachten, op een verhaal over zooltjes, laat staan de zompige zooltjes van een ander betasten, maar als het dan jezelf overkomt is het ineens wel heul interessant. En zo verwerkt iedereen dingen op zijn eigen manier blijkbaar.


Het lesje werd gegeven door mijn favoriete instructeur. Het is een jonge, kleine hippe neger met ingevlochten haren. Hij kan vreselijk goed dansen. Hij maakt daarnaast allerlei heupbewegingen en soms doet hij dat ook vlak voor je. Nu kan ik me daar iets bij voorstellen als die ander ook een hippe neger is, of in ieder geval klein, maar hij doet het ook wel eens bij mij en ik ben in het geheel geen hippe neger en zeker twee koppen groter. Ik ben altijd maar blij dat we niet toevallig worden gefilmd voor een MTV-clip. Of dat er überhaupt een camera in de buurt is voor een promofilmpje van de club. Zo’n enorme bezwete witte vrouw en dan zo’n klein negertje ervoor, dat zou wel eens een averechts effect op het ledenaantal kunnen hebben. Als ik het niet zelf was, zou ik er keihard om lachen. Nu niet, of eigenlijk nu ook, maar ik slik dat in omdat ik me moet concentreren en de kleine neger er ook niet om lacht, maar gewoon zijn ding met z’n heupen doet.


Maar wat ik dus eigenlijk wilde vertellen is dat ik erachter ben gekomen dat ik hele sterke beenspieren heb. Ik keek er ook wel even van op ja. We moesten een oefening doen. Ik leg het even uit. Je gaat in spreidstand staan en dan buig je een beetje door je knieën en vervolgens geef je steeds opnieuw met rechts (of links, maar niet tegelijk, dat kan niet, maar als je het probeert en je kunt het wel, dan kun je denk ik wel professioneel gaan kataboxen) een schuin knietje. En dat achter elkaar en snel (een beetje!) Dus ik deed dat en het duurde en het duurde maar en op een gegeven moment hoorde ik niks meer, dus ik keek op, was ik de enige die nog bezig was. Het kleine negertje keihard lachen. Dus ik zei “Jij klein hip kutnegertje!” Nee grapje, ik zei het natuurlijk niet, maar ik dacht het wel! Anyway, het was wel best grappig, maar alleen als het iemand anders was overkomen.

Ik vloog naar huis

Laten we voorop stellen dat ik het niet eens was met een vlucht om 23.20 uur in de NACHT. We zijn allemaal een ochtendmens en dat in combinatie met drie kinderen maakt een vlucht om 23.20 uur welhaast onmogelijk. Maar iets met heel veel duurder, echt veel hè en dat we dat niet konden maken en dat we het maar eens moesten proberen en toen gaf ik het op. Tegen zulke holistische argumenten ben ik heus niet opgewassen en los daarvan, als ik de beslissing neem, heb ik het straks gedaan en dat wil je ook niet.

Dus daar zaten we dan met z’n vijven – waaronder drie hyperactieve kinderen – te wachten op groen licht om het vliegtuig in te stappen. Om 22.30 uur, een kwartier voordat we zouden ‘boarden’, kwam man J. terug van de wc met één van de kinderen en vroeg: “Wil je het goede óf het slechte nieuws?” 
Ik ben van nature nogal een twijfelaar, dus ik dacht ‘goed-slecht-goed-slecht-goed.’ Terwijl ik dacht ‘Ik kies eerst slecht, want dan gaat goed daar ruimschoots overheen,’ zei man J: “Nou, we hebben dus twee uur vertraging.”

Ik: “Ok, ok, OK, dan doe me nu als de sodemieter het goede nieuws maar!”

Man J: “Ja, goeie, dat is er eigenlijk niet.”

Ik: “Waarom zeg je dat dan, van goed of slecht?” En daarna zuchtte ik en relaxte lekker in mijn stoel. Niet dus hè, maar wat moet je dan? Na wat gemopper etc. etc. ETC. at ik alles op wat we bij ons hadden. Daarna klom ik dan toch maar uit mijn niet productieve situatie en herplaatste mijn blog, met daarin een inmiddels weer levende Han Peekel.


Nog geen 12 uur eerder plaatste ik vrij rap mijn blog omdat we een lunchafspraak hadden. Ik noemde Han toen Pekel met slechts één e. Hij had zich hier in zijn graf over kunnen omdraaien, ware het niet dat hij in het geheel niet dood bleek. Via Twitter werd ik daarop geattendeerd. Ik tweette “Nee, serieus, oh wat erg, ha ha ha.” Dat ‘ha ha ha’ vanuit puur ongemak, ik vond het namelijk in het geheel niet fijn dat Han wellicht nog leefde want dan klopte mijn blog niet meer helemaal. Waarom had ik niet even gecheckt of hij wel echt dood was? Zat ik eerst nog rustig in een lunchtentje, werd ik ineens overvallen door een soort van paniek. Of nouja, in ieder geval een verhoogde mate van alertheid. Nu wel ja.


“Jij dacht toch ook dat hij dood was?” Verweet ik man J.

Man J: “Uhm ja, ik geloof van wel ja.”

Ik: “Hoezo weet je het nu ineens niet meer zeker dan? Whateverrrr, dan ‘google’ ik het zelf wel weer eventjessss.” En dat deed ik en hij was niet dood. Hij had wel gefraudeerd en toch ook nog een lintje gekregen voor iets dat niks met het televisieprogramma ‘Wordt vervolgd’ te maken had. Dat begreep ik wel overigens, maar het kon me verder en in het geheel eigenlijk geen ene reet schelen.


“Wel gvd!” zei ik toen hardop in het lunchtentje waar we met z’n allen (opa en oma en alle kinderen en tante zus en man J.) op een tosti met of zonder tomaat zaten te wachten. En daarna: “Waarom is Han Pekel niet gewoon wél dood!” Ik keek boos om me heen en toen was er al helemaal niemand meer die opgelucht was voor Han Peekel dat hij toch nog leefde. Iedereen staarde naar de tafel waar nog altijd geen tosti met of zonder tomaat stond en ik pakte mijn tas en rende naar huis en wekte Han weer tot leven en Peekel.


Ook in het echt is haastige spoed dus zelden goed en bij nader inzien ben ik maar blij dat Air France even een onderdeeltje uit de linkermotor verving (en dat ik dus niet naar een balie stampte om stennis te schoppen over de vertraging en dat ze wellicht alleen op de rechtermotor ook heus Durban wel zouden halen hoor!) Want voor je het weet zit er weer een dikke vent naast je en dan loopt het misschien toch niet goed af. 

Gevlogen

Er hangen twee Air France stewardessen boven mijn tot dan toe slapende dochter (van 2,5). Ze ligt zo’n beetje half in een stoel die zojuist geheel zelfstandig van de ligstand in de rechtop stand is bewogen. Ik heb op een belletje gedrukt nadat man J.  – “Joost, Joost! De stoel gaat van de ligstand in de rechtop stand, wat denk jij dat we nu het beste kunnen doen?” – het ook allemaal niet meer wist. (Oké, niet helemaal waar, doordat ik riep van ‘Joost Joost’, was het hele vliegtuig al gealarmeerd en in opperste staat van paraatheid etc. geschoten en was dat belletje op zich niet broodnodig meer). Er komen dan ook vrij snel twee stewardessen aangesneld.
Stewardess 1 oppert, “Oh, ik weet wat!” En ze rukt aan de achterkant van de stoel waardoor de stoel in één keer naar beneden zakt en mijn dochter in een soort vrije val meeneemt. Ze blijft slapen. Totdat de stoel uit zichzelf na 5 seconden weer omhoog komt. Daar wordt ze wel wakker van ja.

“Non”, zeg ik in mijn beste Frans, “dat werkt dus niet.” En ik schud mijn hoofd en zucht zoiets van “Oh oh oh” (ook in het Frans).

De stewardessen hebben inmiddels ook geen idee meer. Het baart me toch enigszins zorgen zo hoog in de lucht. Dit zijn dan de vrouwen die mij een relaxt gevoel moeten geven als we bijvoorbeeld neerstorten en met zijn allen, inclusief groepsgevoel, van de glijbaan zullen roetsjen. Je wilt er niet aan denken, maar je doet het toch. Zeker als je bijvoorbeeld naast je kijkt en de stoel die eerst leeg was, ineens gevuld is door Han Peekel (“Zo mam, dát is een dikke meneer!”) Niet echt natuurlijk, want het is een Zuid-Afrikaan. Het maakt de beslissing ‘Wie gaat er zitten naast dochter B. die waarschijnlijk wakker wordt gedurende de nacht’ wel makkelijker, maar het vliegtuig toch ook een stukje zwaarder.


Terug naar de stewardessen.

Stewardess 1: “Nee, ik heb verder geen idee. heb jij een idee?”

Stewardess 2: “Nee, ik heb ook geen idee.”

Stewardess 1: “Misschien heeft Irene een idee.”

Stewardess 2: “Ja, laten we het Irene vragen.”

Ik: “Nou, die Irene moet het gaan doen, wat houdt jullie nog tegen?” Ik word er bijkans assertief van, van dit getreuzel. In gedachten zie ik mezelf al iedereen met een fluitje richting glijbaan jagen omdat zij het vertikken omdat ze eerst toestemming aan Irene moeten vragen. De stewardessen lopen weg, mij en mijn half slapende dochter achter latend. En ze had al niet zo’n beste dag, mijn dochter dan.

Als we nog geen uur onderweg zijn op onze reis van Zuid-Afrika naar Nederland (Durban-Johannesburg-Parijs-Amsterdam), moet dochter B. plassen. “Oh, ik moet plassen!” en dat blijkt eigenlijk vrijwel direct te zijn. Met een grote glimlach wordt outfit één vakkundig onder gepiest. Tijdens de eerste vlucht van een uur wordt ze steeds stiller en als we zo lang taxiën dat ik het gevoel krijg dat we het hele stuk sowieso beter helemaal hadden kunnen rijden in plaats van vliegen, moet ze spugen. “Ik moet spugen!” Dus ik pak het kotszakje en hup, álles precies in het zakje, geen spatje ernaast. Dat zou mooi zijn hè? Maar het is niet waar. Man J. reikt me namelijk een dícht kotszakje aan (“Waarom geef je me nou een dicht zakje, sjonge jonge JONGEN!”) en peuter dat maar eens open onder zoveel druk. 

Maar goed, de vlucht dus. Irene heeft ook geen idee, dus we leggen dochter B. naast een inmiddels zwaar snurkende Han Peekel, de stoel zakt ‘s nachts ineens weer wél in de ligstand en dat is vlak voordat alle lichten aangaan en we moeten ontbijten en van al dat licht wordt Han Peekel ook wakker en hij rijst met zijn Air France slaaplap nog zo half op zijn hoofd uit zijn stoel waardoor hij eruit ziet als een enorme piraat en vanaf nu kan het alleen maar beter worden nietwaar? Tot de terugreis dan tenminste.