Monthly Archives: May 2013

Verweten

Mijn grootste probleem deze week (tot nu toe, even afkloppen hoor) is het niet komen opdagen van het hippe fitnessinstructeurtje. Dat klinkt misschien denigrerend, maar hij ís gewoon heel klein en bovendien, hij verschijnt zo vaak niet dat hij het vast ook wel met me eens is dat ik hem zo noem onderhand. Het grote voordeel van deze penibele situatie is dat ik het dus nu al weet en me voorbereid op een abominabel lesje. Het kan dan alleen nog maar meevallen nietwaar.

Niet waar inderdaad. Twee weken lang heb ik me regelmatig afgevraagd ‘Waar is Ingrid.’ Overigens nadat ik me weken afvroeg ‘Waar zijn Ruben en Julian.’ De onwetendheid. Het hield mij al bezig, laat staan hoe familie en dierbaren tussen hoop en vrezen heen en weer geslingerd zijn. Vervolgens worden ze gevonden en  komt er een eind aan onwetendheid. Het weten begint. Maar wat wíl je weten, vroeg ik me af?

Laatst haalde ik de kinderen op van school en werd overvallen door een enorme put lucht. Door heftige regenval was het riool zo vol geraakt dat water en allerlei troep op kwam borrelen. Een mannetje schepte een grijs-bruinige brei uit de put. ‘Ik ga niet kijken hoor!’ Zei ik voor de zekerheid even hardop tegen mezelf. En? Ik deed het toch. Kokhalzend rende ik loerend in de put voorbij en nog een keer want in de haast had ik dochter B. (3) niet opgetild en die weigerde er zelf langs te lopen. Het overkomt me ook bij auto-ongelukken, je wilt niet kijken maar je doet het toch.


Hetzelfde gevoel overviel me nu. Op Twitter las ik een bericht met de woorden ‘dood gemarteld’ en ‘Ingrid’ erin en klikte erop om het hele artikel te lezen. Het waren afschuwelijke details van een moord en mijn maag kneep samen en ik wilde niet verder lezen, maar ik deed het toch. En zo kwam ik te weten wat ik al vreesde en in dit geval veel meer. Door te klikken knalde het weten binnen en ik hoop zó dat het de nabestaanden op correcte wijze is medegedeeld. Dat zij niet een krant opensloegen, of op een link in een tweet klikten, maar dat weten subtiel is gebracht.


Want zo realiseerde ik me, weten is soms handig en soms zo veelomvattend dat de manier waarop je iets te weten komt bedekt zou moeten worden met een verzachtend laagje fluweel. 

Verkocht

Zoon B. (7) werd getoetst voor extra Engelse les. De wachtkamer werd gevuld door een meisje en haar boodschappentasjes. Ze vertelde over de inhoud van die tasjes en voor hoe weinig ze het wel niet had gekocht! Zoals bijvoorbeeld deze top! En een paar leren laarzen! Dat was trouwens nog wel even lastig, omdat ze haar vader om geld moest vragen, maar hij vond het goed! Zij voelde zich daar niet schuldig over want haar moeder en haar zusje kunnen ze ook aan. Nee, ze hebben eigenlijk niet allemaal precies dezelfde maat, maar haar zusje kan de laarzen met haar grotere voeten wel lekker een beetje oprekken! Ik had dit argument echt nog nooit eerder gehoord, het leek me ook erg slecht voor je voeten, maar ik hield mijn mond.

Het zou nog wel even duren en dus had de dame die het assessment afnam een passende oplossing bedacht: “Jij kunt bijvoorbeeld lekker gaan winkelen in de mall.” Dat maakte even wat emoties los hoor. Eerst was ik beledigd, anderzijds werkte het enthousiasme van het meisje met de tasjes aanstekelijk en toen popte ineens Jet Bussemaker op. Ze keek me heel streng aan met haar rood geverfde lipjes en zei zoiets van:
“Ik dacht het niet hè, ga jij maar even wat schrijven ofzo.” 
Ik vroeg: “Heb je nou echt niks beters te doen, sjonge jonge zeg.” 
Jet dacht even na en zei: “Nee, eigenlijk niet.” 
Ik keek van de assessment mevrouw die van ‘ja, ja’ knikte, naar Jet die driftig ‘nee nee!’ schudde. En toen reed ik naar de mall. Uiteindelijk doe ik toch wat ik zelf wil.


Het was maar een heel klein kabouterwinkelcentrumpje. Ze hadden er eigenlijk niks fatsoenlijks, maar – zal je altijd zien – toch één best ‘okéje’ winkel met hardloopschoenen en mijn model in de uitverkoop. Ze waren precies een maat te klein, maar mijn  uitverkoopradaren maakte dat ik ze prima paste. Heel raar ja, ik begreep het ook niet. Dus liet ik de meneer van de schoenenwinkel even voelen wat hij er met zijn deskundigenoog van vond en die zei dat ze als gegoten zaten! En ik dacht, ‘Wat een mazzel!’ in plaats van ‘Wat een onzin sportschoenverkopertje!’ 

Thuis paste ik ze zonder sokken, met sokken, ik voelde nog een keer, ik sprong er zo’n beetje op en er rekte echt helemaal níks lekker op. Dus ik bracht ze terug. Ergens wist ik natuurlijk al dat ik dat ging doen, maar soms kun je het nog zo goed weten, kennis komt toch echt voort uit ervaring.

Ik dacht ze eng

Ik haat autorijden. Ik haat files. Ik stond er midden in. Langs de kant van de weg zag ik een meneer met een zaag. Hij had een bord in zijn handen dat hij het aankomende verkeer liet zien. Eerst het verkeer van links, dan rechts en als laatste recht vooruit. Het was een T-splitsing inderdaad. Als hij met een serieus gezicht zijn armen in een ferme gestrekte beweging naar voren bewoog, schopte hij ook steeds ritmisch een been mee. Alsof hij de tango danste zonder partner. Ik grinnikte. De man zag het en lachte ook, dus ik stapte uit en maakte een praatje. Nee, niet alles geloven wat ik zeg hè. Dit is Afrika, voor je het weet schiet zo iemand je dood. De man glimlachte omdat hij waarschijnlijk iets van me wilde.

Op het bord stond: “Bomen snoeien voor weinig?” Ik had niks te snoeien en los daarvan zou ik niet snel een man met een zaag in mijn auto meenemen. Dat zou toch raar zijn als je niets te zagen hebt. Dat je hem meeneemt en bij thuiskomst zegt, “Tsja, na ja, zaag anders dit maar even.” Vervolgens zaagt hij een houten plank zo huppakee doormidden. Achteraf krijg je spijt, want de plank kwam uit je boekenkast, maar ja, je wist het ook allemaal even niet meer van de zenuwen! Verder vond ik het ook gevaarlijk en bedacht me dat alleen mensen die ‘on the edge’ leven hem mee zouden nemen. Dat doen ze expres en als er dan niks gebeurt zijn ze de hele dag super vrolijk en delen taart uit op het werk.


We reden nog steeds niet echt door en ik was al laat voor mijn afspraak met het eventuele nieuwe oppasmeisje. In haar advertentie stond dat ze extreem geduldig is. Ik vond het aan de ene kant knap en aan de andere kant een nogal seriemoordenaar-achtige tekst. Je kunt immers ook extreem geduldig mensen weken in je kelder bewaren. Gelukkig hebben we tegenwoordig Whatsapp. Toets op Whatsapp een telefoonnummer in en je krijgt ook de profielfoto die correspondeert met het nummer te zien. Dat kan een zorgvuldig gestyled stilleven zijn, maar ook een portret. Het jammere is dat een blind date nooit meer een blind date is, het fijne is ook dat het dat niet meer is. Dat je al had gezien dat zijn tanden en dat haar en nou ja zo griezelig wel, dat je maar even ‘af whatsappte’ omdat je dus iets anders had, kiespijn ofzo. Het oppasmeisje had een foto van zichzelf als profielfoto. Ze staarde zedig in de lucht. Ik denk naar God, maar misschien hing er wel iets onzedigs buiten beeld dat ik dus nét niet kon zien.

Maar goed, de file loste op, ik zwaaide uit mijn raampje naar de man met de zaag, zette een vrolijk liedje wat harder en dacht even nergens aan.

Kaal of kammen weet je wel

Het was een gewone vrijdagavond. Soms kan je het na zo’n hele week echt even hélemaal gehad hebben. Dat je moe bent, hard hebt gewerkt, de kinderen enzo, maar nu dus niet. In deze relaxte staat van zijn kriebelde ik even op mijn hoofd en toverde een beestje tevoorschijn.

“Ojee,” zei ik tegen man J.
Man J. keek verstoord op naar wat ik voor zijn neus heen en weer bewoog.
“Zou, het een luis zijn?” Vroeg ik hem.
“Neuh, het ziet er meer uit als een mini andersoortig beestje, hoor.”
“Oh en wat voor soort mini andersoortig beestje zou dat kunnen zijn dan?!” Ik begreep wel dat hij mij gerust wilde stellen, maar ik voelde dezelfde paniek als drie jaar geleden.

Ik was zwanger van de derde en viste ook toen een beestje uit mijn haren. Ik liet het zien aan man J. die zei: “Nah, het zal wel niks zijn.” Daarna inspecteerde hij – op dringend verzoek, want het was toch niks? – mijn haar en kon (zie je wel) niks vinden. Nog diezelfde nacht heb ik me een ongeluk gekamd en trof een nogal dicht bevolkte Vinex-wijk luizen aan. Waarmee ik maar zeggen wil dat ik wat luizen betreft niet zo snel afga op het visuele vermogen van man J.

Ik beweeg me nu dan ook in rap tempo naar de badkamer, bedenk me dat we de luizenshampoo ook al weer hadden weggegooid en wat kan ik dan nu het beste DOEN?! Ooit tweette ik “Psychologische luizen zijn het ergst, die zitten overal,” en daar was ik het plotseling helemaal niet meer mee eens. Ik werd per direct opgeslokt door de luizen. Want, zoals met ongeveer alles ben ik gelijk even gaan googelen. Ik zocht op ‘luizen bestrijden’ en vond natuurlijk meer informatie dan wenselijk.

Zo ontdekte ik dat luizen je ook letterlijk opslokken. Oké ze bijten in je hoofd, ze eten je natuurlijk niet helemaal op (gekkie). Daarnaast planten ze zich ook voort op je hoofd. Ik las dat stukje even hardop voor aan man J. die mij eerder bijna had doen geloven dat een luis onzijdig is en geheel zelfstandig eitjes legt. Zo verhaalde ik in groeiend afschuw dat het mannetje onder ligt en zijn lijfje opkrult tijdens het paren. Oh, de horror, de HORROR, nog een geluk dat ze er geen geluid bij maken bedacht ik me. Dat mensen in de supermarkt aan je vragen of jij dat geluid soms maakt en dat je dan verontschuldigend ontkent en naar je hoofd wijst, waarna je veelbetekenend naar elkaar knikt.

Maar goed. De volgende ochtend blijkt dat of course de hele familie ze heeft. Behalve man J. dan, want die heeft gemillimeterd haar dat wonderwel ook ergens goed voor blijkt. En zo begon een weekend kammen en huilen en nog meer kammen. Alhoewel dat huilen best meeviel. Uiteindelijk bleef iedereen stil zitten en waren de kinderen (2, 4 en 7) zich bewust van de noodzaak van het kammen en ook echt trots als het er weer op zat.

Daarom, denk bij een teamuitje, een bondingtour of iets anders waarbij je elkaar beter moet leren kennen ook eens aan een luizentour. Het zou zomaar een heel positief effect kunnen hebben.

(Dit stukje verscheen eerder op oudersonderling.nl)

Het kabbelt

Het was 1 mei en een vrije dag in Zuid-Afrika. Het kwam een beetje op een raar moment want het was de dag ná Koninginnedag. Nu maakt het ook weer niet zo heel veel uit, bedacht ik me terwijl ik nog in bed lag, want in feite ben ik dus helemaal niet koningsgezind. Nou ja, ik ben ook niet níet koningsgezind, maar gewoon neutraal. Ik kan het verder niet onderbouwen en als mensen vragen of ik soms republikein ben, denk ik dat van niet, maar als we een president zouden hebben, zou ik het ook wel best vinden vermoed ik. En zo was de vrije dag eigenlijk nog niet eens echt begonnen en was ik me al bewust van een gapend gat in mijn algemene ontwikkeling. Ik wilde het liefst onder de deken kruipen en er verder het mijne van vinden (niks dus) maar zelfs dat is niet eenvoudig met drie kinderen.  
Dus zo klom ik uit bed. Nee grapje, ik begrijp nooit wat mensen daarmee bedoelen. De enige keren dat ik als een soort kabouter in bed klom en zo min of meer uit bed gleed en op de grond plofte, was tijdens mijn kraamtijd. En kabouter, kabouter, alleen vanwege dat hoge bed op klossen, verder zie je er natuurlijk gewoon uit als een enorme berg mens met je zwangere buik en opgeblazen ledematen. Ik heb nog wel eens gedacht dat ze met die roze wolk dat hoge bed bedoelen. Maar dat zal wel niet hè, onder een roze wolk staat immers niet alle troep die eigenlijk bedoeld is om weg te gooien en nu ineens zichtbaar onder je bed stof staat te happen.
Dus ik stapte uit bed en viel met mijn neus in een bordspel. Alle kinderen deden mee. Het is een spel met een ijsberg, een brug, een iglo en vier beestjes die via de brug van de ijsberg naar de iglo moeten. Je wint en verliest als team en mijn kinderen kregen het toch voor elkaar er een competitie-element in te brengen met schreeuwen en huilen en toen was het inmiddels 6.00 uur en ik wilde nog steeds dat ik bed was blijven liggen.

Toen we (na zeker 10 minuten) klaar waren met het spel, stak mijn opruimwoede plots de kop op. Deze opruimwoede verloopt cyclisch, theoretisch zouden we ons er dus op kunnen voorbereiden en dat zou dan weer een hoop frustratie schelen. Nu komt het toch altijd weer als een verrassing en dat gaat ongeveer zo. Eerst is het heel netjes van de laatste keer opruimen en kijk ik af en toe vol trots naar al die kaarsrechte stapeltjes kleding. Daarna houd ik het nog een beetje bij, na een tijdje leg ik dingen gewoon in de kast en min of meer op stapels, vervolgens prop ik het ook tussen de stapels en daarna vraag ik me hardop af HOE! het toch GVD! toch zo ver is gekomen!

Dus zo hobbelden we door de dag van dit en dat en tralala en zo tegen de wijn vroeg ik voor de zekerheid even aan man J. wat hij nou eigenlijk vond van het koningshuis, maar hij had ook niet echt een mening. Zo zaten we even naast elkaar te zwijgen, overwogen of we iets ervan op Wikipedia zouden opzoeken, maar bedachten dat als we maar gewoon alleen met elkaar blijven praten, niemand er ooit iets van zou merken. En toen was het godzijdank alweer bedtijd.