Monthly Archives: May 2014

Daar zakt je broek van af

eekhoornZou een eekhoorn wel eens denken ‘oef, daar ben ik echt een beetje te oud voor’? Of zouden dat de overmoedigen zijn die geplet langs de kant van de weg liggen? Zij die een reuzensprong maakten dat in werkelijkheid een kaboutersprongetje bleek. Ik was onderweg naar de nieuwe sportschool en ik ontweek lichaampjes. Soms scheurde ik eroverheen. Niet expres, ik was gewoon een pietsie te laat weggegaan. Maakt ook niet uit verder, dood is dood.

Overigens vroeg ik die ochtend een Social Security Nummer aan. In een dorp 40 kilometer verderop. Man J. legde voor de gelegenheid de benodigde documenten klaar, hij had het al eens gedaan snap je. Dus ik loop bij de de gemeente binnen en tref aan: vier rijen stoelen aan weerszijde van het gangpad. Propvol mensen. Aan het einde van het gangpad stond het nummertjesapparaat. Ik schreed erheen terwijl ik ‘well, good morning to you all’ murmelde en glimlachte. Eerst naar rechts en toen naar links. Je wil immers niemand teleurstellen. Gelukkig schalde precies op dat moment door de intercom: ‘De loketten gaan zo open. Als u wapens of messen bij zich heeft, leg die even in de auto.’

Voor de vorm keek ik in mijn tas. Ik zag een nagelvijl. Als ik kwaad wilde kon ik daar wel wat mee. Ik vroeg me af of meer mensen zo dachten en juist aangespoord werden om iets te ondernemen door het verzoek.
Toen mocht ik naar binnen.
‘Paspoort?’ Vroeg de ambtenaar.
‘Paspoort?!’ Reageerde ik verschrikt.
Een paspoort had man J. niet neergelegd bij ‘de spullen die je nodig hebt etc.’ Voor wie net nog dacht – Wat een geweldige man! – het is maar net hoe je het bekijkt.

Maar goed, ik racete naar de sportschool en voegde me  in het zaaltje tussen fitte mensen. Je ziet het direct, ze rekken en strekken alsof we ieder moment ten strijde zullen trekken. De juf startte de muziek en kondigde de eerste oefening aan: omhoog springen en je voeten aanraken. Ze deed het voor. Het zag er soepel uit. Ze deed het nog een keer voor en een moment dacht ik, wij hoeven niks te doen! Het is een show!
Toen begonnen we en ik ging oké tot ik in de spiegel keek en naast mijn tomatenhoofd ook een afgezakte superhippe nieuwe broek ontwaarde. Waarmee ik maar zeggen wil, er zijn genoeg redenen waarom je soms een dood eekhoorntje zou willen zijn.

In bikini met de buurman

photo1-22‘Joost en Eva, willen jullie éindelijk onthullen wie jullie emergency contacten zijn?’ Niet precies zo hoor, de secretaresse van school is buitengewoon beleefd. We hadden het opgeven van noodcontacten drie maanden voor ons uit geschoven onder het mom van ‘we zijn net nieuw, sorry’. Blijkbaar begon de magie van nieuw zijn uit te werken. De vraag of je gesetteld bent verdwijnt, je bent one of us en je moet voldoen aan regels.

Regels zijn heus noodzakelijk. Stel je voor dat de school mee zou gaan in de emotie van ouders. Dan zouden vaccinatierapporten nooit worden ingeleverd omdat prikken in kleine dikke beentjes zo zielig is. Je zou de school in het begin 100 keer per dag bellen of het goed gaat en het opgeven van een emergency contact zou je eeuwig voor je uitschuiven.

Omdat het zo moeilijk is. Het opgeven van een emergency contact is de samenvatting van heimwee. Het is het verlangen naar vanzelfsprekendheid. Naar de mensen die ik zonder erover na te denken aan zou wijzen in Nederland en in Zuid-Afrika. En… Oké, zo kan ‘ie wel weer. Als ik steeds zou toegeven aan die gevoelens van heimwee zou ik ook tien kinderen hebben en zo een oermoeder ben ik nou ook alweer niet.

We vroegen de buurman. We mogen in zijn zwembad. Een zwembad delen schept een band. We maakten kennis met de buurman in januari. De gevoelstemperatuur was -16 graden (Celcius) en hij vertelde ons dat iedereen in de straat hun zwembad gebruikt. Niet nu natuurlijk, het was immers een beetje koud. We knikten beleefd en ik maakte me geen zorgen. Totdat het vorige week ineens 30 graden was en de meisjes – net als Boris – graag in het zwembad van de buren wilden plonsen. Ik vulde van die gekleurde schelpen met water en schoof het ‘in bikini met de buurman’ voor me uit.

We vroegen ook een moeder van school. Toen ik haar laatst appte of ik man J. naar huis zou laten vliegen in verband met tornadodreigingen zei ze niet: ‘Ja Eef, dat zou ik zeker doen, dat hij überhaupt is vertrokken, wat een eikel!’ Ze zei: ‘Je hebt toch een kelder? Komt wel goed joh.’ Het klonk aannemelijk en verstandig, maar het week af van wat ik graag wilde horen.

Ik overwoog te gaan huilen, heel hard misschien. Maar ja, wat schiet je ermee op? Dus ik herpakte me en kocht een badpak. Immers, geen vanzelfsprekendheid zonder investering en bovendien ‘als je eenmaal door bent is het heel lekker hoor (mam)!’

God is terug bij af

bobbie oranje‘Gottedomme!’ Het komt uit de mond van dochter Bobbie (3), die haar poffertjes op de grond laat vallen. De poffertjes horen bij Koningsdag. We hebben de hele dag oud-Hollandse spelletjes gedaan, in de ijdele hoop de kinderen Nederlandse tradities (ofzoiets) bij te brengen in ons verder Nederlander-loze dorp. We hapten koek, maar dan met marshmallows. We spijkerpoepten, in een enorme plastic fles met een enorme opening. En we speelden vrij lang Monopoly. Niet omdat het een typisch oud-Hollandsch spel is, of omdat we er extreem van genoten, maar omdat de kindervariant eindeloos kan duren.

‘Bobbie! Dat zeggen we niet hè!’ spreek ik haar vermanend toe. Terwijl, van wie heeft ze het? Precies, van man J. Of, nou ja, dat is gelogen natuurlijk en liegen? Liegen is nog erger dan vloeken of iets stouts doen en overigens ook veel erger dan opvoeden in de derde persoon.
‘Is God dood eigenlijk?’ Ik verslik me in een poffertje en zeg tegen dochter Lucie (5), dat ik daar even over na moet denken. Ik kijk vragend naar man J., die zogenaamd volledig opgaat in zijn poedersuiker. Hoe leg ik nou weer uit dat iemand die – volgens ons – nooit bestaan heeft, ook niet dood kan? Ik wil zeggen dat we geen konijn hebben en omdat we geen konijn hebben, kan ons konijn ook niet dood. Maar voor je het weet hebben we het over konijnen. En een konijn staat hoog op de verlanglijstjes, dus dan heb ik het eigenlijk liever over God. Of de dood.

‘Wat denken jullie dat dood is?’ vraag ik.
‘Dat je niets meer kunt’, zegt Boris.
‘Heel goed!’ zegt man J., die vervolgens zijn poedersuikermond al open doet om uit te leggen wat dood precies is. Maar hij herpakt zich – misschien realiseert hij zich dat we er allemaal van uitgaan dat hij wel weet wat dood is – en stelt een vraag:
‘Wie gaan er bijvoorbeeld dood?’
‘Oude mensen’, zegt Boris.
‘Ik weet het, ik weet het!’ roept Lucie. ‘Kleine oma, die ging dood en kleine opa is al heel oud hè?’ Een vraag is immers een prachtig middel om een goed antwoord te geven.

Ik vraag de kinderen of alleen oude mensen dood gaan. Met die vraag weten ze ook raad. De nare ziektes en wie er allemaal wel niet dood kan (kleuters! baby’s!), vliegen over tafel. Hmm ja, een goed antwoord geven is één, de juiste vraag stellen een tweede. Het is maar goed voor de samenleving dat ik geen juf ben.
‘Uiteindelijk gaan we allemaal dood’, zegt man J. plotseling opgewekt.
‘Dus God ook?’ vraagt Lucie. En zo zijn we terug bij af.

Dit stukje verscheen eerder op oudersonderling.nl