Category Archives: Blog NL

Man, man

Het is november en voor sommigen onder ons zonder snor een directe aanleiding de maand movember te noemen – wat al reuze achterlijk is – en plotseling een snor te laten staan. Het kan zijn dat ik nogal obsessief met gezichtsbeharing bezig ben nu man J. die baard heeft. Ik begrijp eigenlijk niet waarom de natuur ons met al dat lichaamshaar heeft opgezadeld. Vallen we er minder door op tijdens het jagen? Hebben we het warmer? Of kunnen we al kalend tenminste nog ergens mee pronken? Anyway, worst verder – om in de mannelijke terminologie te blijven – en vanwege movember een ode aan de man.
 
Ik maakte een afspraak met de tandarts (man). Een kroon moet ik, koninklijker wordt het niet, dus voorruit maar. Ik kon direct langskomen. Ik vond het geen goed teken. Tandartsen moeten het druk hebben, met andere mensen, met nascholing, met de administratie desnoods. Anders zijn ze niet goed. Maar ik had geen keus, ik ken alleen deze, dus ik maakte een afspraak. Niet direct, want ik moest me geestelijk en lichamelijk…. Nee dat is niet waar. Je lichamelijk voorbereiden op de tandarts is onzin. Volgende week ga ik er heen. Fietste ik even later langs een meneer en wie was het? De tandarts. Stond ‘ie gewoon te golfen. Riep ook nog iets over de bakfiets en over hoe fit ik was?! Niks over mijn gebit, maar van 20 meter afstand kun je daar misschien weinig over zeggen. Ik maak me desalniettemin grote zorgen.
 
Dan de parkeerwachten (man). Vorige week werden er spullen uit onze auto ontvreemd. Man J. (man) had hem op slot gedaan. Of ik. Of allebei, of allebei niet misschien. Het zijn de dagelijkse beslommeringen en het bewijs dat er beter een helemaal verantwoordelijk kan zijn dan twee half. Anyway, we kwamen er pas thuis achter en een paar dagen later ging ik verhaal halen bij de parkeerwachten. Ik onderwierp ze aan een kruisverhoor, beschuldigde zo’n beetje een van hen. Dat was niet zo handig, maar toen had ik al gesuggereerd dat het mogelijk die ene kon zijn die zogenaamd grappig deed. Ze ontkenden. Ik weet niet wat ik dan had verwacht, of gedaan als ze zeiden ‘Ja dat klopt, maar wij moeten toch ook ergens van leven, bitch’ maar toch.
 
En dan maak je al die dingen mee en dan moet je ook nog serieus praten met mannen die ineens een plakkaat haar tussen hun neus en bovenlip hebben hangen. 
 
Oké, dit werkt dus niet. Het is heel lastig een ode aan de man te brengen merk ik. Ik probeer het later nog wel eens. In december, alhoewel die maand in het teken staat van mannen met lange baarden etc. 

Voelspriet

Het was een hele tijd man J. met een baard, het werd nooit een logisch geheel. Het is als mannen met snorren in november, een tijdelijk iets. Inmiddels zijn we maanden verder en de baard is gebleven. Soms is het ding kort, soms iets langer, maar heel zeker weet ik dat niet. Ik heb dit laten bezinken en ik denk dat ik een mannelijke voelspriet heb ontwikkeld voor uiterlijkheden. Het is een zorgwekkende ontwikkeling want die voelspriet bestaat natuurlijk helemaal niet. Enfin, ik zie geen verschil tussen lang of kort en ik heb er verder ook geen mening over. Dat is toch erg?!
Het betekent tevens dat ik geen recht van spreken heb als man J. een uiterlijke verandering van mij niet opmerkt. Zo kocht ik laatst schoenen. Lang verhaal. Ik vertel het toch even. De juf van de naschoolse opvang keek op een dag nogal opzichtig naar mijn nieuwe sportschoenen. Adidas – ik ben een groot fan van Adidas, vooral als je het op z’n Frans uitspreekt dus dat doe ik, n’importe waar op de aardkloot ik me bevind.

Of ik dat fijne schoenen vond? Ik voelde een doodlopende situatie aankomen, maar ik kon moeilijk nee zeggen, het zijn sportschoenen mensen, wat zit er níet fijn aan sportschoenen. Dus ik zei ja. Oh, maar dan mocht ik haar schoenen wel hebben! En ik zei: ‘Nee dank je, ik heb nogal een uitgesproken smaak.’ Oh I wish dat ik zo assertief was. In werkelijkheid zei ik dat ik ze overnam als ze mijn maat waren. Die avond bad ik 1. Dat ik grotere voeten had dan de juf. Wat echt een rare wens is, want wie wil er grote voeten hebben? 2. Dat ze het zou vergeten.

De volgende ochtend stond er een enorme doos in de klas van dochter L. (4) met daarin ENORME zwarte sneakers met ingebouwde hak. Ik had die trend zorgvuldig gemeden en zie wat ervan komt. Opgelucht dacht ik, die zijn te groot. En? Ze pasten precies. Ik liep ermee rond en het zag eruit alsof ik rondsjouwde op skischoenen, met elke stap til je je been heel hoog op terwijl dat niet persé nodig is, maar je doet het toch.

En zo onthaalde ik man J. die avond met die enorme dingen aan mijn lijf. Hij zei hoi hoe is het enzo en dat was dat. Niemand zag de schoenen. Ook mensen met voelsprieten niet overigens, want ze liggen lekker te relaxen in de doos.

Eerlijk is saai

‘Misschien gaan we binnenkort verhuizen,’ zeg ik tegen vriendin B. ‘Misschien ook niet,’ voeg ik direct toe. Als je zegt dat je heel snel verhuist wil je dat mogelijk onbewust heel graag en dan gebeurt het never nooit niet.
‘Als je verhuist kun je een andere identiteit aannemen.’ Zegt vriendin B. met een serieus gezicht.
Ik kijk vriendin B. – die ik niet zomaar in de Russische koordanseres Svetlana zie veranderen – verbaast aan. Ze fantaseert er lustig op los. Ik denk na over mijn eventuele andere identiteit, maar ik heb VEEL meer ideeën bij het dubbelleven van man J.  In gedachten zie ik hem in een strak blauw pak oefenen voor het Cirque du soleil. Dat we serieus aan zijn collega’s zouden uitleggen dat hij die schommel midden in de woonkamer fervent gebruikt. En zo kom ik niet meer los van andere identiteiten.
Al appel etend loop ik een ‘winkeltje met leuke dingetjes’ binnen. Het is de derde appel van de dag. Zo lekker zijn ze niet, maar kauwen is verslavend. De eigenaar kijkt naar mijn appel. Misschien ook niet, maar ik denk van wel. Snel neem ik nog twee happen en vraag: ‘Heb je ook een prullenbak?’
Hij: ‘Ja.’
Ik: ‘Mag ik mijn appel erin gooien?’
Hij: ‘Dat kan niet, hij staat hier (wijst naar een plek áchter de toonbank, waar het ding staat onder ook weer een berg dingetjes), dus ik moet het doen.’
Ik:. ‘Oké, maar dat is misschien wel een beetje vies?’ Ik denk graag voor anderen, het is een gave.
Hij: ‘Ik neem aan dat je geen enge ziektes hebt?’
Wat een kutvraag.
‘Nee’ zeggen is toch een beetje de goden verzoeken en een gemiste kans bovendien. Ik kan – terwijl ik hem het klokhuis overhandig – zeggen dat ik schurft heb, maar dat het bíjna weg is, dat het soms nog wel een beetje kriebelt, maar dat het ook makkelijk iets anders kan zijn hoor!
Toch zeg ik nee.
Ik kom vrij close als ik de fietsmeneer wederom consulteer. Deze keer heb ik de voorband lek gereden.
Ik: ‘Hoi! Kijk wat ik nu weer heb gedaan!’
De fietsmeneer: ‘Zullen we er gelijk een slimy tube inzetten?’
Ik: ‘I LOVE the slimy tube!’
De fietsmeneer: ‘Heb jij hem kapot gereden of Jeust?’ (Joost wordt Jeust want een dubbele ‘o’ in het Engels: moeilijk).
‘Ik!’ Roep ik direct. Terwijl ik ook kan zeggen dat het Jeust (Man J.) was en dat hij inderdaad oefende om over een spijkerbed te fietsen en nou ja, dat het niet helemaal gelukt is.
Kortom; ik ben te eerlijk. Echt jammer.

In sap en as

En zo kochten we een stofzuiger zonder zak. Nogal wat herrie maakt het ding, maar, gekocht is gekocht sinds ik ben afgestapt van ruilen. De eeuwige zoektocht naar het enige juiste ben ik onderhand zat. Het hoeft niet altijd uniek en bovendien is ruilen ook echt zinloos tijdverdrijf nietwaar. Kiezen zal ik! 


Tot overmaat van ramp besloten de mixer en de dvd-speler ook naar God te gaan en de fietsband had een lek. De apparaten hadden het op ons gemunt. Of misschien zijn de apparaten nodig in de hemel. Hemelse cake bakken, ik zag het voor me. Iemanden (mijn schoonouders, geeft niet) zeiden: ‘Dat gebeurt nu eenmaal hè, na tien jaar. Dan stoppen de apparaten ermee.’ Ik stopte mijn vingers in mijn oren, want ik wil nog steeds graag unieke dingen meemaken. Ook als het gaat om huishoudelijke apparatuur.


Ik ging naar de fietswinkel en de fietsmeneer en ik, we spraken over extreem lange fietstochten met ingewikkelde namen en hoe hard hij wel niet ging door het bietensap dat hij zelf met een sapmaker maakte en toen begon hij ineens over mijn lekke band. Oh ja, daarom was ik ook alweer hier. Hij raadde me de slimy tube – een binnenband die gaatjes automatisch opvult – aan. Ik keek de fietsverkoper aan. Hij verblikte of verbloosde in het geheel niet en ik dacht sjonge jonge, ik heb echt teveel stofzuiger folders gelezen. Enfin, de slimy tube kon niet geruild worden. Paste helemaal bij mijn nieuwe niet-ruilen identiteit, dus ik ging ervoor.

Daarna kocht ik ook meteen een sapmaker. Je flikkert er van alles in en er komt sap uit! Op zich wat het apparaat belooft, maar toch hè en razendsnel. Wortelen, hele appels, bieten! Rood, echt heel rood, ik dacht twee dingen:

1. Oh oh, dit gaat vlekken maken en ik bén al niet zo handig.

2. Oh oh, wat nu als je er per ongeluk zelf in belandt?!

1. was een waarschijnlijker angst dan 2. maar 2. hield me langer bezig. Vooral toen ik een stuk vastzittende appel (‘Kijk, mijn hele hand past erin!’ tegen man J. roepend) verwijderde en ik even vergat het ding uit te zetten. De machine begon gevaarlijk te brullen en ik kon mijn hand er nog net op tijd uit trekken. In no time ben je geraspt tot niks dan sap en gescheiden van het afval. Detox pur sang. Kan je welgeteld één keer doen. Uniek dus, maar wat heb je eraan.

Stopcontact(advertentie)

Ik schrok wakker omdat ik het benauwd had en echt even niet meer kon ademen. Zoiets. Ik zei tegen man J. dat hij niet weg mocht gaan. Het was ook zo, maar zoiets uitspreken dat is echt een beetje extreem sneu. Ik deed het dan ook niet bewust, ik hoorde er de volgende dag over. Eerst zei ik ‘Echt niet!’ daarna overviel me een enorm gevoel van zelfmedelijden en ik vroeg me af wat de schrik had veroorzaakt. Ik had de avond ervoor folders doorgespit op zoek naar een nieuwe stofzuiger. Dat is niet enerverend, toch?
De oude stofzuiger is kapot, niet dat ik ze in Afrika uit pure verveling ineens ben gaan sparen. Dat ik een heel hok met stofzuigers zou hebben zodat ik elke week een andere kan pakken. Of misschien zou ik wel elke dag gaan zuigen! Hele rijen glimmende Henry’s zouden me gewillig aanstaren vanaf hun plank (kies mij, kies mij!) Maar ja, jammer voor de stofzuigers, ze nemen teveel plek in.

Goed. Er zijn HEEL VEEL stofzuigers. Voor gladde oppervlakten, voor stroeve, met veel zuigkracht en een aantrekkelijk uiterlijk. Ik wilde dit even snel beslissen (want huishoudartikelen uitzoeken mèh, yuk, niks aan) maar ineens moest ik criteria bedenken waaraan een stofzuiger moet voldoen. In gedachten lijnden ze op en voerden een ‘So you think you can zuig’ op. Tegenwoordig is overál markt voor, dus waarom niet. Ik bekeek de PerformerPro Stofzuiger: Blijvende zuigkracht, met zijn turbo-borstelzuigmond die zelfs doorgaat met een volle zak!

Wat was dit voor tekst?! Het leken potjan wel amoureuze toespelingen van de stofzuiger-community. Kunnen we ons ook hier ook even massaal over buigen? We maken dus wel een hoop heisa over de speelgoedfolder met meisjes die met poppen spelen in plaats van geweren en jongens die we nog steeds niet glunderend in een prinsessenjurk afbeelden en in de tussentijd bekijken we ongegeneerd stofzuigerfolders! We laten ons verleiden door Henry met zijn extreme zuigkracht en OMG de roze stofzuiger Hetty (Hetty maakt het waar!) met haar soepele, tien meter lange oprolsnoer dat toch een waar kunstwerk is.
Maar goed, ik dwaal af. Afrika besliste dat er maar een paar stofzuigers te koop zijn. Zo kozen we – man J. besliste uiteindelijk, hoe geëmancipeerd is dat – er een zonder zak. Het klonk gelijk een stuk minder ranzig – want nooit meer een volle zak – en toen was het al best laat en toen gingen we slapen en de rest is historie. 

Nee joh, ik zeg gewoon maar wat

Ik las een tweet van @globalistaa over iets dat Marlies Dekkers – Neerlands eigenste bh-koningin – gezegd zou hebben. Vrouwen met kleine borsten zouden onvoldoende zorg voor hun borsten hebben. We moesten ze laten masseren door mannen, jezelf, de buurman etc. Zelf was ze erg blij dat ze kon doorstarten met de opvang van al die depressieve boeza.

Ik dankte god op mijn blote knieën (en dan houd ik op over lichaamsdelen) dat ik in Afrika woon, ver weg van Marlies en haar bh-kooien. Wij deden er een paar dagen Capetown met een Mercedes bus. Eerst wilden we een kleinere auto. Er was geen kleinere. Toen namen we de grote. Ik vertel dit er maar gewoon even bij ter illustratie. Ik weet ook niet waarom, ik heb niks met auto’s. Het was gewoon zo. Ik denk dat ik ermee wil zeggen dat iets goedkopers geen optie was.
Het huisje waarin we bivakkeerden was overigens écht klein. En er zat écht een muis in. Eventjes tenminste. Man J. trok direct ten strijde. Alhoewel, direct, direct. Hij zei: ‘Ik heb in dit huisje niet de juiste attributen om  een val te maken.’ Ik piepte (geen grapje): ‘Verzin maar wat en wat is dit voor K-huisje met een muis erin. Het is trouwens wel precies groot genoeg voor de muis.’ En zo zeg je de hele dag dingen.

Ik denk dat andere mensen (dan Marlies en ik) overigens ook gewoon maar dingen zeggen. Om zich een houding te geven, of om de leegte te vullen. De manager van het gamepark waar we laatst waren zei bijvoorbeeld: ‘Je vraagt je natuurlijk wel eens af wat de dieren van het hek vinden.’ Ik had me dat echt nog nooit afgevraagd. Ik had er wel eens over nagedacht of de dieren zich ook stoten aan het schrikdraad en of dat pijn doet. Maar ik had nog nooit bedacht dat de dieren misschien denken: Goh, wat een rothek is dit, ik wilde dat het er niet stond! Of juist: ‘Goh wat fijn dat de grenzen zo duidelijk zijn.’ Laat staan dat ik dit hardop uit zou spreken.

Even terug naar Marlies. Ze ging ons nog veel meer vertellen, zei ze. Ik vond het onheilspellend. Helga van Leur zei hetzelfde over het weer, het werd echt bedsokkenweer. @roosschlikker tweette dat het ongeiler niet zou worden. Ik wilde wel reageren, maar ik wist het gewoon even niet. De bh-kooien van Marlies en de bedsokken, het was een close call.

Lekker kippetje van me

Tegen iedereen die het horen wilde of niet per se ook overigens, vertelde ik dat de griep van zoon B. maar niet over ging. Ik was me er inmiddels van bewust dat ik hoognodig een andere invulling aan mijn getob moest geven. Dit onderwerp duurde nu al vier weken. Ik zou ook gewoon kunnen stoppen met tobben, maar dat is al 36 jaar niet gelukt, ik zoek de uitdaging nu in het veranderen der onderwerpen, dat houdt de toehoorder tenminste ook geboeid.
Zoals de Taiwanese moeder van school. Eerst ging het nog over haar en haar pasgeboren baby die ze na twee maanden zelf moest verzorgen. Haar moeder en de nanny – de laatste met 24-uurs dienst – waren immers juist richting Taiwan vertrokken. De baby sliep nu bij haar op de kamer, op de buik en belangrijker, het gezicht want het moest wel een baby met een langwerpig gezichtje worden. ‘Oh en ah’ zei ik en dacht wat een fokking onzin in plaats van – wat kunnen we toch veel van een andere cultuur leren, SUPER interessant – want zo denk je nu eenmaal niet altijd en bovendien nu terug naar mij! En dus wurmde ik zoon B. en zijn griep ertussen.



Daar had de Taiwanese wel wat op. Wat ZIJ altijd doet is een kip op het vuur zetten en de sappen aan de kinderen geven ter verhoging van de weerstand. ‘Een hele kip?’ vroeg ik. En ze zei ‘Ja’ en ik weet niet hoe dat met jullie zit, maar bij een kip in de zin van gerecht denk ik direct aan een kip die rechtop zonder veren op een bierblikje op de bbq zit. Kan komen door foto’s ervan op Facebook. Kippen zien er in hun kale niksie sowieso vrij menselijk uit. Verder fantaseer ik dingen overigens niet naakt. Leuke mannen denk ik bijvoorbeeld niet direct naakt, maar die heb ik dan ook nog nooit in een gerecht of op een bierblikje voorbij zien komen. Dat scheelt denk ik wel. Nu we hier toch even over filosoferen; het is waarschijnlijk precies waar de vrouw zich onderscheidt van de man, met z’n vunzige gedachtes. Maar goed, ik dwaal af.

Kon komen door het gelul van de Taiwanese dame. Op zich ben ik wel van het gesprekje, maar niet te lang aub dan moet ik iets verzinnen. Al was dat nu niet nodig, ik moest namelijk hardlopen in de moederrace op school, dus ik had echt haast. God zal me lief hebben vorig jaar werd ik eerste, nu tweede en zo dienen de onderwerpen zich als vanzelf aan.

Wie is hier nou eigenlijk de moeder?


We gaan een nachtje weg. Zoon B. van zeven (en een half mam!) valt vrijwel direct in slaap. Na een half uur stoppen we bij een ontbijtplek. B. stapt uit en wil niks. Neuh, hij is niet ziek, neuh ook niet een beetje, ja hij kan zijn hoofd op zijn borst leggen, hij is gewoon even moe. ‘Mam, kap nou JA, ik wil gewoon gaan.’
Man J. slaat mijn getob enigszins geamuseerd gade.
Ik werp hem een hulpeloze blik toe. Kan een pietsie bozig zijn, want hij zegt snel: ‘Ik vertrouw op jou, jij voelt dit soort dingen gewoon beter aan.’ Ik zucht en doe een beroep op mijn antenne voor zieke kinderen. Niks. Waar is het oergevoel als je het nodig hebt, vraag ik me af.

Ik moet denken aan zeven (en een half) jaar geleden. Man J, mijn moeder en ik staan rond het ziekenhuisbed van zoon B. Hij is zeven weken oud en had ineens hoge koorts. Dat kan bij kinderen, las ik in de bijbel voor nieuwbakken ouders; Dr. Spock. De alarmbellen rinkelden pas toen ik hem diezelfde avond niet wakker kreeg voor een voeding. En nu ligt hij daar met een urineweginfectie. Dan komt de dokter komt toevallig langs en vraagt: ‘Zo en wie is de moeder?’ Waarop ik automatisch naar mijn eigen moeder kijk, maar me ineens bedenk en ‘Oh nee, ik!’ roep. Moeder zijn, daar moest ik nog aan wennen, maar met dat oergevoel was niks mis.

Omdat een teken nu uitblijft, rijden we door en in de bush geef ik B. een paracetamol voor volwassenen. Lekker sterk en ja joh, dat kan jij wel, met een grote slok water. Nog geen twee seconden later bonk ik hem in pure paniek op zijn rug omdat hij zich verslikt in de paracetamol. ‘Waarom ben ik ook niet de man!’ Roep ik man J. toe. Man J. vindt dat ik me niet zoveel zorgen moet maken en dat is precies wat ik wel zou willen.

De volgende dag rijden we terug. Zonder paracetamol is er niks van zoon B. over en dus brengt mijn gevoel ons alsnog bij de huisartsenpost. Bij loket één krijgen we de status groen: ‘Grieperig’ lees ik. Ik ben opgelucht, maar grieperig? En die hele, HELE erge hoofdpijn dan? Vraag ik en ik wijs op mijn allerbezorgdst naar zoon B. De zuster haalt ongeïnteresseerd haar schouders op. En misschien is dit net dat zetje dat ik nodig heb. Ik neem B. mee, leg hem in bed en vertrouw erop dat mijn oergevoel op popt als het nodig is en dat ik ook ooit beter word, in moeder zijn.

Dit stukje verscheen eerder op oudersonderling.nl

Gewone kip

‘Nou, wat willen jullie straks lekker eten?’ vraagt de ranger enthousiast.
‘We willen graag vier gekookte eieren en twee gebakken eieren met bacon.’ Zeg ik ook enthousiast want ik ga gewoon heel makkelijk mee in de flow, ook om 6 uur ‘s ochtends!

De ranger kijkt moeilijk en beweegt haar hoofd van ons (vijven) weer naar haar opschrijfboekje. ‘Dat zijn zes dingen,’ zegt ze dan aarzelend.

Man J. zegt: ‘Ja dat klopt, zij wil twee eieren.’ Hij wijst naar zij (ik).

We zijn een nachtje in de bush en gaan dieren spotten in een OPEN auto. Het is zo koud dat we onze winterjassen aan hebben, zoon B. (7) is ziek, maar doet alsof hij kiplekker is en ik kan me niet voorstellen dat de dieren wel wakker zijn met deze temperatuur. Sowieso vraag ik me af welke dieren we gaan zien. Een dag eerder somden we onze top vijf op. De olifanten waren al drie maanden niet gezien, het luipaard en de cheetah al twee maanden niet en zo daalden we steeds verder tot we inderdaad instemmend knikten dat vogels ook heel leuk zijn.

De kans dat we onderweg verorberd worden is in ieder geval miniem. De ranger denkt daar hetzelfde over en tovert dat opschrijfboekje uit de kontzak van haar KORTE broek. Weer een beroep dat ik kan afschrijven, bedenk ik. Nog los van de aseksuele outfit en het beleefd blijven als je een kind rondrijdt dat continu ALLE Dinosaurussen die hij kent – of door zijn moeder ingefluisterd worden – heel HARD opnoemt. Maar dat was gisteren, dit is een nieuwe dag, de irritante vader van het irritante kind bleek ziek, daarom kon het irritante gezin niet mee en dat vonden we echt sneu. Zeiden we terwijl we opgetogen onze wenkbrauwen naar elkaar high-fiveden.

‘Twee eieren dus.’ De Ranger herhaalt het verbaasd. Oh God, ze is nog niet klaar.

‘Uhm ja?’ En ik begin toch een beetje aan mezelf te twijfelen. Maar ik wil gewoon wél twee eieren en ineens steek ik een betoog af van gezond en waarom ook niet en alleen als het niet teveel moeite is en dat ik wel meer mensen ken etc.

Allemaal de schuld van man J. De lul! En we moeten nog best lang, gezellig met z’n allen, in een Safari auto beesten spotten. Zoals de rode mier, de onzichtbare neushoorn en het water waar gisteren nog nijlpaarden inzaten. Nog nooit zo blij was ik – drie uur en een paar bevroren tenen later – met een gewone kip (en vooral haar eieren).

Vermoeiend

Het woei. Het woei zo hard dat ik uit mijn hemd zou waaien, maar dat kon niet, want ik lag in bed. Naast man J. die ook niet sliep. Was ik ook pas net achter gekomen.
Ik: ‘Wat waait het hard hè?’

Man J: …

Ik: ‘WAT waait het HARD hè?’

Man J: ‘Watwatwat! Ja, jazeker, nou!’

Ik: ‘Nu kan ik denk ik niet slapen.’

Man J: ‘Vast wel.’


Dus we waren allebei wakker. Het was donker en man J. zag er helemaal donker uit, met name in het gelaat. Dat kwam door zijn baard. Hij laat die staan. Ik heb daar al grappen over gemaakt zoals: ‘Goh we gaan nu wel echt terug naar de oertijd’ en: ‘Jeetje ga terug in je hol!’ als hij iets stoms zegt (wat mij betreft komt hij er soms niet meer uit btw). Dat soort dingen en toen hij zich dus zo midden in het donker plotseling omdraaide schrok ik wel even ja.


Vlak ervoor had ik bovendien een stukje gelezen over een onderzoek naar een causale relatie tussen de volle maan en het ‘de slaap niet kunnen vatten.’ Ze dachten dat er verband was, maar er waren ook critici of course die de onderzoeksmethode onzin vonden. Sjonge jonge en zo houden we elkaar echt lekker bezig in onderzoeksland. Ik vroeg me ook af of er niet belangrijker dingen waren om te onderzoeken, maar sommige dingen liggen misschien nogal voor de hand en dan is er gewoon niks meer over. Dat zo’n professor dan zegt: Tsja, wel, nu, misschien kun jij je dan richten op de volle maan?


Naast mij werd inmiddels weer geronkt, dus ik had tijd genoeg om na te denken over het weer in het algemeen. Tegenwoordig zeg ik best vaak tegen mensen dat het nu warm is, maar dat het zó kan omslaan. Het regenseizoen hè, voeg ik op z’n Timofeefs toe. Ik voel me een halve gare als ik het vertel, met mijn handgebaartjes, maar stoppen, ho maar. Waar zou dat door komen? En zo sliep ik nog steeds niet.


Waarom denk je zoveel na als je niet kunt slapen? Misschien kon ik overdag ook eens zoveel nadenken en interessante theorieën ontwikkelen over het een of ander. Ik denk overigens niet dat ik de maan zou kiezen, alhoewel ik door dat onderzoek nu wel wakker lag. Ik hoefde maar naar buiten, ik zou à la minute kunnen beginnen. Maar ja, saai en dus dacht ik na over wat het wel zou kunnen worden en dat was blijkbaar pas echt slaapverwekkend.